Hoogliedtop.jpg (22093 bytes)

In het bos

Eeuwige ledematen Gods, straal en straal
Waar is Uw lijf, o God,
Waaruit dat alles groeit en vloeit?
Heeft deze aarde
Daaraan deel?
Waar is Uw hoofd, van waaruit het denkt en lust ervaart!
Is deze wereld lijf Uwer lijven,
En dit brein van mij Uw brein?
Of zendt U uit Uw geest,
De meest mogelijke van werelden,
En houdt U hen in stand, tijdelijk, blijvend?
Ik vraag wederom.
Maar dit vragen is al antwoord.


(Uit het Duits vertaald. Gedicht van Arno Nadel, 1878-1943)

 



Hoogli1.jpg (12971 bytes)

 

 

 

 

Sjofar1.jpg (5747 bytes)





Hoogl.JPG (42050 bytes)

 

 

 

 

Sjofar2.jpg (5862 bytes)

 

Beschrijving

‘Laat Hij mij kussen met de kussen van Zijn mond’ (Hoogl. 1:2). Hier spreekt een bruid tot haar bruidegom, een minnares tot haar minnaar. Volgens een mystiek geÔnspireerde overlevering van het Hooglied zijn de Eeuwige en Zijn volk als bruid en bruidegom. Bij de berg Sinai is de Eeuwige - de Bruidegom - in het huwelijk getreden met Zijn bruid - IsraŽl. De Tora fungeerde daarbij als huwelijkscontract. De liefde van dit eerste moment met de 'vrouw van Zijn ‘jeugd’ is de Allerhoogste nooit vergeten: ‘Ga en roep in Jeruzalems oren: Zo spreekt de Eeuwige: Ik denk aan jou, aan de genegenheid van jouw jeugd, aan de liefde van jouw bruidsdagen, toen je achter Mij aanging in de woestijn, in een land waarin niet wordt gezaaid’ (Jer. 2:2).

In het licht van deze ‘romantische’ terugblik van de Allerhoogste mogen we de hartstochtelijke liefdesverklaring lezen waarmee het Hooglied opent ‘Laat Hij mij kussen met de kussen van Zijn mond, want kostelijker dan wijn is Jouw liefde’ (Hoogl. 1:2). Een minnaar die tegelijkertijd een ‘Hij’ en een ‘Jij’ is, ver weg, onzichtbaar, maar tegelijkertijd nabij en vertrouwd! Met die paradox drukt het Joodse volk het onstilbare verlangen uit naar de nabijheid van de Allerhoogste, de Onzichtbare, opdat Hij Zijn volk - de geliefde bruid van weleer - ondanks haar verre ballingschap toch intiem nabij zal blijven.

Op de ets ziet u twee geliefden in innige omhelzing tezamen. De betrokkenheid van God op het lot van IsraŽl staat bovendien model voor de verbondenheid van de Schepper met de schepping als geheel. Hieraan herinnert de grote Hebreeuwse letter 'bťt' die naast het liefdespaar staat afgebeeld. Met deze tweede letter van het Hebreeuwse alfabet begint het scheppingsverhaal: beresjiet bara Elohiem et ha-sjamajiem we-et ha-arŤtz - ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’(Gen. 1:1). Het is tegelijkertijd ‘bťt’ aan het begin van het van het woord ‘beriet’, dat ‘verbond’ betekent. De groene tinten op de ets en de afgebeelde bladeren willen de aandacht eveneens richten op schepping en natuur. De mens vormt immers deelgenoot van een groter - hem overkoepelend - geheel.

In het midden van de ets is de kabbalistische figuratie van de zogeheten ‘tien sefirot' weergegeven, de tien goddelijke eigenschappen of emanaties waarmee de wereld vanuit Gods oneindigheid geschapen is. De sefirot vormen een structuur van de spirituele en voorwereldlijke werkelijkheid die we in onze aardse realiteit weerspiegeld vinden. De figuratie van sefirot vormt in feite de geabstraheerde weergave van de Adam Kadmon - de Hemelse Oermens naar ‘wiens’ voorbeeld de gehele kosmos maar in het bijzonder de aardse mens - als  microkosmos - gevormd is. Deze Adam Kamon wordt ook wel voorgesteld als Levensboom - Etz Chajjiem. In de context van dit alles kunnen we de liefdesrelatie tussen God en IsraŽl zien, een partnerschap van God en volk - God en mens, een verhouding die zowel liefde schenkt als eisen stelt.

De Tora-rol - rechts afgebeeld - is als het ware de acte van dit huwelijksverbond dat de Eeuwige met Zijn volk bij de berg Sinai heeft gesloten en waar Hij uiteindelijk de gehele mensheid bij betrekken wil.

 

Sjofar2.jpg (5862 bytes)

 

Hoogliedserie-titel2.jpg (7931 bytes)

 

wpe12D.jpg (60822 bytes)

 

Beschrijving

De menselijke identiteit en het menselijke zelfbewustzijn nemen pas vorm aan wanneer we relaties met anderen opbouwen en een oprechte dialoog aangaan. Wanneer twee levenspartners in volstrekte harmonie samen verkeren, brengen zij daarmee de polariteiten in hun eigen persoonlijkheid tot balans. De mens vormt volgens het scheppingsverhaal de spil van de schepping en is tegelijkertijd onderdeel van de natuur. In groter verband levert vreedzaam en harmonieus samenleven daarom een bijdrage aan tikkoen olam - herstel van een gebroken wereld.  Wie vrede in zichzelf en met anderen zoekt, draagt bij aan het opheffen van disharmonie op kosmische schaal (vergelijk de beschrijving bij ets nr. 1).

De enscenering op deze kleurets is ondermeer ontleend aan woorden die de bruid uit het Hooglied tot haar aanstaande bruidegom spreekt: ‘... Onder de appelboom heb ik je opgewekt. Daar waar jouw moeder je ontvangen heeft, daar waar zij die jou heeft ontvangen je (ook) heeft gebaard. Plaats me als een zegel op je hart, als een zegel op je arm, want liefde is sterk als de dood, hard als de hel (Sje’ol - onderwereld) is hartstocht. Haar flitsen zijn vonken van vuur, een vlam van de Eeuwige(Hoogl. 8:5-6).
In dit lied vol hartstocht bezingt de dichter niet alleen genegenheid tussen man en vrouw, maar in metaforische zin ook liefde tussen God en mens, tussen de Eeuwige en Zijn bruid IsraŽl. Tegelijkertijd leert 'het lied der liederen' (Sjir ha-Sjiriem) dat wanneer genegenheid tussen twee geliefden opbloeit ook iets zichtbaar wordt van de betrokkenheid van de Schepper bij Zijn schepping. Door als mensen elkaar te beminnen, heiligen we Gods naam en doen we de vlam van Zijn liefde ontvlammen. Juist ook met het op geheiligde wijze bedrijven van de liefde kunnen we Gods licht in de wereld verbreiden en het bestaan op een hoger plan brengen.
De rode vlammen links en de grote boom rechts op de ets spreken in combinatie met de gekozen tekst voor zich. Het rood herinnert aan vlammende hartstocht, alsook aan het vuur dat tijdens de openbaring op de berg Sinai ontbrandde. Het rood vormt daarmee tegelijkertijd een stille verwijzing naar het vuur van de de Tora, naar de huwelijksakte tussen de Eeuwige en Zijn geliefde volk IsraŽl. De groene planten en bladeren roepen een zweem van de sfeer in het paradijs op. Een serene en vredige sfeer, nog van voor de wederzijdse beschuldigingen en de schaamte van het eerste mensenpaar aan het eind van de zesde dag.

Het elkaar omarmende liefdespaar doet nog aan een ander vers uit het Hooglied denken: ‘Laat Zijn linkerhand onder mijn hoofd zijn en Zijn rechterhand mij omarmen.’ (Hoogl. 2:6). Volgens een mystieke uitleg sprak de bruid IsraŽl deze uitnodigende woorden tot haar Bruidegom, de Eeuwige. De linkerhand van de Minnaar verkeert in rust terwijl de rechterhand actief is. De linkerhand representeert de eigenschap van Gods recht - middat ha-dien. De rechterhand de eigenschap van Gods mededogen - middat ha-rachamiem (chŤsŤd). Gods linkerhand blijft zo te zeggen gedeeltelijk verborgen en in ruste , terwijl Zijn rechterhand actief is en extra mededogen toevoegt om de hardheid van het oordeel te verzachten. Indien God Zijn mededogen niet groter had gemaakt dan de gestrengheid van Zijn strenge oordeel zou de wereld niet stand hebben gehouden en was de mens nimmer geschapen. Met deze beide polaire krachten of eigenschappen houdt de Eeuwige Zijn volk en vervolgens ook de gehele schepping in stand, rechtvaardig maar het recht omkledend met mededogen.

 

Sjofar2.jpg (5862 bytes)



Hoogliedserie-titel3.jpg (6337 bytes)

 

Hoogli3.jpg (144093 bytes)

 

Beschrijving

De levensboom - metafoor voor de wereld van de sefirot (goddelijke emanaties) - is op deze ets plastische weergegeven. De keuze voor de levensboom (vergelijk ets nr. 2) is ontleend aan deze krachtige passage uit het Hooglied: ‘...Onder de appelboom heb ik je opgewekt. Daar waar jouw moeder je ontvangen heeft, daar waar zij die jou heeft ontvangen je (ook) heeft gebaard (...) want liefde is sterk als de dood, hard als de wereld van de doden (Sje’ol) is hartstocht. Haar flitsen zijn vonken van vuur, een vlam van de Eeuwige.’ De levensboom uit het paradijsverhaal belooft evenals de boom der liefde uit het Hooglied de overwinning op de dood: ‘Laat hij niet zijn hand uitstrekken en ook nemen van de boom des levens, en eten zodat hij leeft voor eeuwig’ (Gen. 3:22).  Alleen oprechte liefde is tegen de dood bestand. Zuivere liefde is een kracht die afkomstig is van God, sterker nog: het is de manifestatie van Zijn Wezen.

Te midden van neerstromend en leven schenkend water staat op de ets een kruik afgebeeld. Deze kruik verbeeldt de keliem, de omhullende krachten van Gods recht en oordeel (die ook nodig zijn om de inhoud van Gods chŤsŤd (liefderijke trouw) als in een kruik op te vangen en af te grenzen. Het samengaan van chŤsŤd en dien - twee tegengestelde krachten in God en mens - maken pas een consistente vorm van schepping mogelijk. De vaten (de inperkende en vormgevende krachten van Gods recht) vangen de nog ongebundelde krachten van Zijn grenzeloze liefde en mededogen op, als water dat in een kruik wordt opgevangen en vastgehouden. Die inperkende vaten geven tastbare en hanteerbare vorm aan Gods scheppende krachten. Ook in een liefdesrelatie tussen twee mensen zijn beide eigenschappen en houdingen - liefde en recht - noodzakelijk, wil de liefdesband stand houden!

Adam en Chawwa - het eerste liefdespaar - zijn intiem samen, beschermd en omhuld als in een cocon (beneden, midden). Een talliet (gebedsmantel) is - nog net zichtbaar - boven hun hoofden uitgespreid, want ze genieten Gods bescherming zolang de zuiverheid van hun liefde onaangetast blijft

Twee zebra’s herinneren ons eraan dat Adam op de zesde dag samen met de (zoog)dieren is geschapen. Ook dieren vormen paartjes en vermenigvuldigen zich. De mens geniet weliswaar een aparte status ten opzichte van flora en fauna, maar heeft meer met planten en dieren gemeen dan hij zou willen geloven! Hij is niet alleen koning van de schepping, maar tegelijkertijd slechts onderdeeltje van de totale natuur. Zodra hij uit arrogantie of exploitatiezucht deze meer precaire kant van zijn positie vergeet, gaat het mis. De natuur in al zijn verschijningsvormen maakt onmisbaar deel uit van de menselijke leefwereld. Hij is maar een onderdeel van een omvattend ecosysteem.

Rood is de kleur van liefde en emotie. De zandkleur (beneden rechts) doet vaag denken aan IsraŽls tocht door de woestijn. Schepping en geschiedenis zijn in ťťn ondeelbaar messiaans proces met elkaar verknoopt. Heel de schepping heeft deel aan de vreugde van IsraŽl en is als het ware lotgenoot van wat aan liefde en haat speelt tussen de mensen.


Sjofar2.jpg (5862 bytes)

 

Hoogliedserie-titel4.jpg (10894 bytes)

 

Hoogli4.jpg (154385 bytes)

 

Beschrijving

De Hebreeuwse tekst die geschreven staat rond de ranke vrouwengestalte (links) op de ets is eveneens ontleend aan het Hooglied en luidt: ‘Een bundel mirre is mijn liefste mij, tussen mijn borsten mag hij overnachten. Een tros hennabloemen is mijn liefste mij, in de wijngaarden van Ein Gedi!’(Hooglied 1:13-14).

De schapen (beneden) herinneren daarbij aan een tweede tekst uit het eerste hoofdstuk van het Hooglied: ‘Als je het niet weet, schoonste onder de vrouwen, trek er dan op uit in de sporen van het wolvee en weid jouw geitjes bij de hutten van de herders!’ (1:8).
Deze passages maken een metaforische toespeling op het volk IsraŽl dat als de minnares van de Allerhoogste de weg is kwijtgeraakt. Bij de herders - de Gods getrouwe leiders van het volk IsraŽl die in de voetsporen treden van de aartsvaders - daar zal God zijn verloren bruid hervinden. De geitjes (beneden) bewegen zich door een grazig groene weideplaats.    

Ook de druiventros (midden) is een toespeling op de minnares - IsraŽl - die deze ontboezeming in het lied doet: ‘Zwart ben ik, maar prachtig, dochters van Jeruzalem, als de tenten van Kedar, als de draperieŽn van Sjlomo. Zie me er niet op aan dat ik zwart ben, dat de zon mij heeft bekeken. De zonen van mijn moeder zijn laaiend op mij geweest. Ze hebben mij aangesteld tot bewaakster van de wijngaarden. Ik heb (zodoende) mijn eigen wijngaard niet bewaakt’ (1:5-6). De bruid IsraŽl verontschuldigt zich dat ze zwart geworden (verduisterd)  is als ge volg van de ballingschap. Die zwartheid is slechts tijdelijk. Ze kan het niet helpen, zo voert ze aan, dat ze haar onschuld niet heeft kunnen bewaken en bewaren. De aan haar opgelegde arbeid door broedervolken heeft dat verhinderd. Zo luidt een gangbare mystieke en metaforische rabbijnse verklaring bij deze passage.[1]

Rechts boven in beeld voert een minnares haar minnaar - de Koning de koningen - mee. De Geliefde - volgt Zijn minnares die Hem bij de hand met zich meevoert. God laat Zich met Zijn volk meevoeren in ballingschap. Het Hooglied laat voortdurend een wisselend perspectief zien. Soms gaat het initiatief juist uit van de bruid in spe, IsraŽl dat God wil verleiden tot samenzijn. Ik heb daarom de vrijheid genomen om een vers uit het begin van het Hooglied om te draaien. Daar smeekt namelijk de bruid - IsraŽl - haar bruidegom - de Allerhoogste - om haar met Zich mee te voeren: ‘...trek mij mee, jou achterna, laten we rennen, laat mij komen, o koning, in jouw kamer etc.’ (1:4). Tussen God en mens bestaat een wederzijdse verbondenheid en actie! Juist van de mens wordt in het jodendom vaak het initiatief tot herstel de verstoorde relatie met het Opperwezen verwacht.

Vlak boven de druiventros (zie het midden van de plaat) is een geabstraheerde baarmoedermond weergegeven. Iedere religieuze metafoor behoudt een referentie aan de tastbare aardse realiteit, in dit geval aan seksualiteit als onderdeel van liefde tussen twee mensen. De Joodse traditie kenmerkt zich door een positieve grondhouding tegenover seksualiteit. Heiligen betekent zowel ‘apart staan’ als ‘apart maken’, dat wil zeggen een segment van het aardse leven verbinden met het transcendente en zo het bestaan op een hoger plan brengen. Samenzijn wil naast genieten vooral ook leiden tot procreatie en voortzetting van het proces van heiliging, van tikkoen olam, een beweging van schepping naar verlossing en voltooiing.



[1] Vgl. L. A. Feldman, Commentary on the Song of Songs, Assen 1970, 65-67.

 

 

Sjofar2.jpg (5862 bytes)

 

Hoogliedserie-titel5.jpg (7775 bytes)

 

Hoogli5.jpg (157498 bytes)

 

Beschrijving

Ook dit kunstwerk visualiseert een passage uit het Hooglied: ‘Zie, mooi ben je mijn liefste, ja lieflijk; ja, ons rustbed is het groene loof. De balken van ons huis zijn de ceders, onze dakspanten zijn de cipressen’ (Hoogl. 1:16-17).
Bijna onzichtbaar en vrijwel samenvallend met het groen (beneden naast de boom) is een liefdespaar innig verstrengeld. Maar boven in de blauwe lucht is nog een minnend paar afgebeeld, hier - niet zonder reden - veel duidelijker zichtbaar. In feite gaat het beneden en boven om het zelfde duo, aards en tegelijkertijd ‘hemels’. Zodra mensen zich in zuivere en oprechte liefde op aarde verenigen, vindt ook liefdevolle vereniging plaats in de hemel, in de spirituele boven- of binnenwereld waarvan onze aardse realiteit de afspiegeling vormt. Dit gegeven stemt overeen met de kabbalistische idee van ‘zo beneden, zo boven; zo boven, zo beneden’.
Lichamelijke liefde waarin twee lichamen samen komen en zo te zeggen ‘ťťn vlees worden’, kan een daad van hoogste heiliging zijn. Door in liefdevolle harmonie ťťn te worden met de ander brengen we tevens eenheid in de wereld om ons heen, alsmede in de spirituele ‘bovenwereld’ die model staat voor het materiŽle bestaan. In het mystieke geschrift SťfŤr ha-Zohar (het Boek van de Glans), vinden we deze mystieke gedachte bevestigd in een roerende beschrijving van een geheiligd moment:


ĽOp de Sjabbat, rond middernacht, wanneer de wijzen zich met hun echtgenotes in de liefdesdaad verenigen, op het moment dat zij vredig slapen in hun bed en hun zielen verlangen om op te stijgen en de glorie van de Koning (der koningen) te aanschouwen, dan nemen de bovenwereldlijke geesten waarmee zij zichzelf kronen bij de heiliging van de Sjabbat hun zielen mee en voeren hen mee omhoog. Deze zielen worden daar gebaad in de geurige specerijen van het paradijs en zij schouwen wat in hun vermogen ligt om te schouwen. Wanneer het dan tijd is om weer af te dalen, begeleiden de bovenwereldlijke geesten hen tot zij veilig weer hun woningen bereiken.’
(SťfŤr ha-Zohar).ę[1]

Geheel links op de ets staat een groene boom afgebeeld. Hij herinnert aan de levensboom, maar zinspeelt eveneens op de ceders, de natuurlijke balken, van het huis van fris loof waarin het liefdespaar uit het Hooglied de liefde bedrijft.



[1]  Zie M. van Loopik, Kabbala als levenskunst, Middelburg 2018, 124-124.

 

Sjofar2.jpg (5862 bytes)


Hoogliedserie-titel6.jpg (6790 bytes)

 

Hoogli6.jpg (135211 bytes)

 

Beschrijving

Deze ets is gemaakt naar aanleiding van dezelfde passage uit het Hooglied: ‘Zie, mooi ben je mijn liefste, ja lieflijk; ja, ons rustbed is het groene loof. De balken van ons huis zijn de ceders, onze dakspanten zijn de cipressen’ (Hoogl. 1:16-17). Het liefdespaar is op harmonische wijze onderdeel van de natuur, waarvan het gebladerte hen omgeeft als een huis. De kruinen van de bomen bedekken dit huis als met een dak van cederhouten balken. De minnaar omarmt zijn lief. Zij iets donkerder getint dan hij. In het bijbelse liefdeslied wordt zij ook wel ‘Sjoelamiet’ genoemd (Hoogl. 7:1), de Sulamitische. Deze aanduiding vormt een speelse variant op de naam van haar minnaar koning Sjlomo (Salomo). Als Sjoelamitische bezingt de lieddichter haar om haar volkomenheid (sjelemoet) en vredelievendheid (sjalom). Eigenschappen die zij evenals de klank van haar naam deelt met haar minnar Sjlomo. Hij perfect in wijsheid en een man van vrede (sjalom), zij volmaakt in schoonheid en karakter.


Keer terug, keer terug, o Sjoelamitische! Keer terug, keer terug, zodat wij u kunnen zien!’ (Hoogl. 7:1 [6:13]). Volgens een mystieke verklaring vormen deze woorden een oproep aan zowel de Sjechina als aan het volk IsraŽl, Gods bruid, om samen uit de diaspora terug te keren naar Jeruzalem. Naar Jeruzalem, want daar horen beiden thuis! Het lot van vervreemding deelt de Sjechina met IsraŽl, omdat Zij (de Sjechina) bij haar (IsraŽl) in haar ballingschap blijft. De minnaar (God) roept daarom in feite beide 'vrouwen' op om uit hun gedeelde ballingschap terug te keren.

ĽZo leert de midrasj: ‘Rabbi Eli’ezer zegt: Waarom openbaarde Zich de Heilige, Hij zij gezegend, zich vanuit de hoogste hemel en sprak Hij met hem (MosjŤ) vanuit een doornstruik? Je moet het echter zo zien, zoals deze doornstruik het nietigste (nederigste) is onder alle bomen in de wereld,  zo daalden de IsraŽlieten af naar het nederigste niveau en de Heilige, Hij zij gezegend, daalde samen met hen af en werd ook samen met hen verlost. Er is immers gezegd: ‘En Ik zal afdalen om hem (Mijn gemeenschap) te ontrukken aan de hand van Egypte’(Ex. 38).[i]  In naam van Rabbi Akiva leverde diens leerling Rabbi Me’ir deze gewaagde uitspraak over: ‘”Zo redde de Eeuwige op die dag”(Ex. 14:30). “Wajosja” [en Hij verloste] staat geschreven. Lees echter niet ‘Wajosja” [en Hij verloste], maar lees [de ongeschreven klinkers alternatief invullend] “Wajiwwasja” [Hij werd verlost]. Toen IsraŽl werd verlost, werd Hij als het ware verlost.[ii] Zowel voor Mij als voor jullie is de verlossing. Ik ben als het ware samen met jullie bevrijd, er is immers gezegd: ‘... Die Gij [ook] voor Uzelf hebt bevrijd uit Egypte, [bevrijd van] heidense volkeren en hun goden’ (II Sam. 27:23).ę[iii]

 De middeleeuwse bijbelcommentator Avraham (ben MeÔr) Ibn Ezra (1088-1167) voerde de naam van de Sjoelamitische terug op de oudste aanduiding van Jeruzalem, Sjalem: ‘En MalchitzŤdŤk, koning van Sjalem (Gen. 14:18).
Als alternatief is het mogelijk ‘Sjoelamitische’ te lezen als een variant van Soenamitische (Sjoenamiet, het meisje afkomstig uit de plaats Sjoenem). In dat geval zinspeelt de dichter van het Hooglied op de bloedmooie ‘maagd’ die in de late dagen van David diens ‘voeten’ kwam verwarmen (vgl. I Kon. 1:1-4). Zo suggereert de lieddichter heel subtiel dat de minnares uit het Hooglied in uiterlijke schoonheid bepaald niet onderdeed voor Abisjag. 
De boom links en het gebladerte rondom het paar spreken voor zich. Rechts boven vliegt een duif op van een tak. De duif staat symbool voor vrede en pracht: ‘Zie, je bent mooi, mijn vriendin, zie je bent mooi, je ogen zijn als duiven’ (Hoogl. 1:15 en 4:1).

Naast de duif daalt een waterstroom neer. Ook dit element op de ets is ontleend aan het Hooglied: ‘O bron van de tuinen, put van levend water dat van de Libanon stroomt’ (Hoogl. 4:15).  Men kan zich allicht voorstellen dat we ook deze woorden vanuit een mystiek perspectief kunnen lezen als verwijzing naar de levenskracht en spiritualiteit die uitgaat van een volk dat leeft met de Tora.



[i] Ontleend aan Mechilta de-Rabbi Sjim’on bar Jochai, ed. J.N. Epstein/E.Z. Melamed, Jerusalem 1955, p. 1.

[ii] Zie A.J. Heschel, Tora min ha-Sjamajim, I, p. 66; in verwijzing naar Midrasj Tanchoena, ed. S. Buber, eind van Acharť Mot. Midrasj Aggada, Bemidbar, p. 78.

[iii] A.J. Heschel, ibid, in verwijzing naar Midrasj Sjemot Rabba XV,12).

 



©  2000 dr. Marcus van Loopik
Alle rechten voorbehouden. Niets van de tekst of van de afbeeldingen van de etsen mag  

op welke wijze dan ook worden vermenigvuldigd zonder mijn voorafgaande toestemming.

De originele etsen zijn in beperkte oplage verkrijgbaar. Oningelijst € 280,- per stuk,
ingelijst € 340,- per stuk (beeldafmeting 30 cm. bij 40 cm.; lijst 50 cm. bij 60 cm.).


MailF1F2.gif (4196 bytes) Voor reacties en bestellingen van grafiek:e-mail: mailknop.jpg (682 bytes)

 

mainbuttonhome.jpg (1520 bytes)