Olijf.gif (4574 Byte)






Naar hoofdpagina:   Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Avot de-Rabbi Nathan (14a-14b)

(Spreuken der) Vaderen van Rabbi Nathan

Midrasj, tekst en commentaar

Dr. Marcus van Loopik
Medewerker Stichting Pardes te Amsterdam, © 2012
Niets van deze website mag op enigerlei wijze worden vermenigvuldigd of openbaar worden gemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van bovengenoemde auteur

Hoofdstuk 6

Leerling der Wijzen


 Sjioer 37

Tekst Avot de-Rabbi Nathan p. 14a

     
      Olijfb.gif (5153 Byte)
     

     

        Sterc.gif (1440 Byte)

[José ben Jo'čzer - een man uit Tzereda, en José ben Jochanan - een man uit Jeruzalem, ontvingen (de traditie) van hen.]
José ben Jo'čzer [een man uit Tzereda] zegt: 'Laat je huis een huis van samenkomst zijn voor de Wijzen, bedek jezelf met het stof van hun voeten, en drink dorstig hun woorden.'
'Laat je huis een huis van samenkomst zijn' Hoe is dat? Dit leert dat iemands huis beschikbaar moet zijn voor de Wijzen en hun leerlingen en de leerlingen van hun leerlingen. Zoals wanneer iemand tot zijn naaste zegt: 'Zie, ik wacht op je op die en die plek.'*

* Huis van samenkomst - bet wa'ad - het Hebreeuwse werkwoord dat hiermee samenhangt (ja'ad) betekent: een afspraak maken, een ontmoeting arrangeren.
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[4] Vgl. het commentaar van Abravanel naar aanleiding van Misjna Avot 1,4.

Uitleg:
José ben Jo'ezer en José ben Jochanan leefden in de eerste helft (begin tweede helft) van de tweede eeuw voor de jaartelling. Zij vormden de eersten van de zogeheten  zoegot - paren van Tora-geleerden - die samen het Sanhedrin bestierden. José ben Jo'čzer was Nasi, de president van het Sanhedrin. Dit was een meer leidinggevende en politieke functie. José ben José Jochanan was Av bet din - letterlijk: 'Vader van het gerechtshof'. Sommigen menen dat met de toekenning van deze twee posities een latere situatie op deze oude tradenten is teruggeprojecteerd.[1] 

Beiden Wijzen staan in de overlevering bekend als zeer vrome personen, als mannen die zich in het bijzonder hebben ingezet voor het formeren van groepen Tora-geleerden en voor het Tora-onderricht. Zozeer zelfs dat de ideale situatie die zij creëerden na hun dood voorgoed verloren is gegaan:


»Toen José ben Jo'čzer van Zerida en José ben Jochanan uit Jeruzalem stierven, hielden de druiventrossen op te bestaan, zoals er geschreven staat: 'Er is geen tros om te eten, mijn ziel verlangt naar vroege vijgen' (Mi. 7:1).«[2]

'Trossen' (esjkoliot) is bedoeld als metafoor voor groepen Wijzen met grote verdiensten en van ruime eruditie. In een woordspeling werd 'esjkoliot' gelezen als 'isj [anasjiem] sjč kol bo' - 'een man [mannen] in wie alles (aan deugd en kennis) aanwezig is'.[3]
Na het verscheiden van de beide José's was het gedaan met de trossen die de druiven hecht bijeenhielden, dat wil zeggen: met hechte groepen waarin Tora-wijzen samenbleven en waarin zij bescherming vonden.[4]

 

 

[1] Zo de uitleg van Rabbi  Mosjč ben Baroech Almosnino ( ca. 1515-1580) in diens commentaar op deze passage in Pirké Avot.








[2] Misjna Sota 9:9

 

 

[3] Babylonische Talmoed Sota 47b.

 

[5] Daarom luidt de tekst: 'Ontvingen de traditie van hen (meervoud).' Sommige verklaarders stellen evenwel voor om 'van hem' (d.w.z. van Antigonos van Socho) te lezen. Die wijziging is m.i. niet noodzakelijk en waarschijnlijk onjuist.













[6] Avot de-Rabbi Nathan, noesach b, ed. S. Schechter 14b.


De zegenrijke invloed van de Wijzen

Beide wijze mannen - José ben Jo'čzer en José ben Jochanan - zetten de traditie van Sjim'on ha-Tzaddiek en Antigonos van Socho voort[5] met uitspraken over Tora en het doen van goede werken. In zekere zin continueert de uitspraak van José ben Jo'`ezer de voorafgaande gedachte over het belangeloos dienen van Antigonos van Socho. Men kan God met name ook dienen door middel van sjimmoesj chachamiem, praktische dienstbaarheid aan de Tora-geleerden en het faciliteren van hun studie. Geheel zonder eigenbelang is dit niet, want wie zich voortdurend met Wijzen omringt en veelvuldig in hun dagelijkse nabijheid verkeert, zal menige wijsheid opsteken van hun doen en laten.

 


'Wie met Wijzen verkeert, wordt wijs.'

En zo zegt de Schrift: 'Wie met de Wijzen verkeert, wordt wijs' (Spr. 13:20). Waarmee zou men dit kunnen vergelijken? Met iemand die een parfumeriewinkel bezoekt. Ook al koopt hij niets en neemt hij niets daaruit mee, bij het verlaten van de winkel draagt hij de geur met zich en in zijn kleren mee; en de gehele dag wijkt die geur niet meer van hem, daarom is er gezegd: 'Wie met de Wijzen verkeert, wordt wijs.'  'Wie met dwazen verkeert, trekt het kwaad aan' (Spr. ibid.). Waarop lijkt dit? Op iemand die een leerlooierij bezoekt. Ook al koopt hij niets voor zich en neemt hij niets daaruit mee, bij zijn vertrek draagt hij de geur met zich en in zijn [met stank besmette] kleren mee; en de gehele dag wijkt de geur niet meer van hem, daarom is er gezegd: 'Wie met dwazen verkeert, trekt het kwaad aan' (Spr. ibid.).[6]


In oude tijden waren lang niet overal leerhuizen aanwezig. Gebedshuizen functioneerden dan tevens als leerhuizen en als verblijf voor het ontvangen van vreemdelingen en gasten. Het aanbod van ruimte aan de Wijzen, opdat zij daar met hun leerlingen bijeen konden komen en samen konden studeren, was daarom urgent.
Sommigen interpreteren de uitspraak van José ben Jo'čzer overigens anders: 'Laat jouw huis - dat wil zeggen de plek waar je thuis bent en waar je doorgaans verkeert - het huis van samenkomst van de Wijzen zijn'. Die plek en jouw thuis moet het leerhuis zijn. José ben Jo'`ezer zou dus oproepen om van het leerhuis als het ware je woonhuis te maken en daar zoveel als mogelijk te bivakkeren, opdat geen van de kostbare woorden en gedragingen van de Wijzen onopgemerkt voor je blijft.[7]


De alternatieve versie van Avot de-Rabbi Nathan in de uitgave van S. Schechter (noesach bet) geeft een wat concretere voorstelling van de zegen die van de Wijzen afstraalt op hun omgeving. Dit gebeurt aan de hand van enkele bijbelse voorbeelden, die tot de verbeelding spreken:

»'Laat je huis een huis van samenkomst zijn voor de Wijzen' - want alle tijd dat Wijzen en hun leerlingen binnen iemands huis verkeren, is dat huis door hun verdienste gezegend. Want zo vinden we ten aanzien van Ja'akov, onze voorvader, dat ten tijde dat Ja'akov het huis van Lavan betrad, dit huis omwille van zijn verdienste gezegend werd; er is immers gezegd: 'Het weinige dat u voor mijn komst bezat [heeft zich immers tot een menigte uitgebreid]' (Gen. 30:30).
En zo vind je ook ten aanzien van Josef, dat ten tijde dat hij het huis van Potifar betrad, dit huis werd gezegend omwille van hem; er is immers gezegd: ' (En het gebeurde vanaf het moment dat hij hem over zijn huis en alles wat hij bezat had aangesteld) dat de Eeuwige het huis van de Egyptenaar omwille van Josef zegende' (Gen. 39:5) ...
En zo vind je ten aanzien van de ark van God, dat toen deze werd gebracht in het huis van Oved Edom het huis omwille van zijn verdienste werd gezegend; er is immers gezegd: 'De Eeuwige heeft het huis van Oved Edom en al wat hij bezat gezegend vanwege de ark van God' (II Sam. 6:12).« [8]

M-Jozef.jpg (51093 Byte)

Rembrandt van Rijn - Ja'akov zegent de zonen van Josef

 

Letterlijk in het stof zitten
Het zich bedekken met het stof aan de voeten van de Wijzen mogen we letterlijk opvatten. De vloeren van eenvoudige mensen waren in oude tijden vaak niet betegeld, maar van leem en aangestampte aarde vervaardigd.

'Zoals wanneer iemand tot zijn naaste zegt: 'Zie, ik wacht op je op die en die plek.'
De gastvrijheid tegenover de Wijzen moet zover gaan, dat de gastheer zijn eigen huis als het ware ervaart als een neutrale plek van samenkomst. Het is dan alsof hij met iemand in een openbare gelegenheid afspreekt in plaats van in zijn eigen woning. Zo is de gastheer als het ware zelf ook gast, en zo kunnen de Wijzen zich in de studieruimte heer en meester voelen. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[7]  Zo de uitleg van Rabbi  Mosjč ben Baroech Almosnino ( ca. 1515-1580) in diens commentaar op deze passage in Pirké Avot.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[8]Avot de-Rabbi Nathan, noesach b, ed. S. Schechter, 14a.

Ook de ark met de Stenen Tafelen (en de Tora-rol die volgens de traditie naast de ark bewaard werd) vertegenwoordigt evenals de Tora-geleerden de wijsheid en Gods woord. 

 

 

* Deze laatste formuleringen zien we terug in andere midrasjiem, zoals Peskikta Rabbati par. 21 en in Midrasj Sjier ha-Sjiriem Rabba par. 4.
S. Schechter (in zijn editie van Avot de-Rabbi Nathan) rekent deze woorden tot de oorspronkelijke tekst van Avot de-Rabbi Nathan,  aangezien een verwijzing naar de openbaring op Sinai ook in noesach bet (de tweede versie) van Avot de-Rabbi Nathan voorkomt.

Vervolg tekst Avot de-Rabbi Nathan 14a
Een andere uitleg van 'Laat je huis een huis van samenkomst zijn voor de Wijzen.'
Hoe is dat? Wanneer een leerling jou bezoekt en hij zegt 'Geef mij onderricht', indien het in je vermogen ligt hem te onderrichten, geef hem dan onderricht; maar indien dit niet zo is, doe hem dan onmiddellijk weggaan.[9]
Laat hem niet in je nabijheid op een bed zitten, of op een stoel, noch op een bankje, maar laat hem voor jou zitten op de grond. Elk woord dat jouw mond verlaat, laat hem dit aanvaarden in respect en vreze, in angst en beven zoals onze vaderen elk woord dat Gods mond verliet vanaf de Sinai in respect, vreze, angst en beven aanvaard hebben; zo zal ook hij (jouw leerling) elk woord dat jouw mond verlaat in respect, vrees, angst en beven aanvaarden.*

Uitleg
We zien hoe de midrasj hier de gedachtegang terugkoppelt naar het begin van Pirké Avot. Geheel in de lijn van Pirké Avot als 'instructieboek' voor rechters en aankomende leiders van de gemeenschap zijn de woorden van José ben Jo'ezer gericht tot Tora-wijzen en leraren binnen de gemeenschap. De leraren zetten de stem van God voort Die tot de profeten sprak. Daarom moeten leerlingen zich uiterst bescheiden gedragen. Ze behoren even nederig tegenover hun leraar te zijn als het Joodse volk dit was in de woestijn, geconfronteerd met de machtige en gebiedende stem van de Allerhoogste. Daartegenover maant deze spreuk leraren om zelf eveneens nederig te blijven. Zij moeten evenals Mosjč dit deed hun eigen beperkingen in deemoed onder ogen zien. Schiet de kennis of het didactische vermogen van een leraar tegenover zijn leerling te kort, dan moet hij hem doorsturen naar een meer geschikte leermeester. 'Laat je huis een huis van samenkomst zijn van de Wijzen' betekent dan: handel niet omwille van eigen eer als leraar maar stel je dienend op om de wijsheid in Israël te vermeerderen. Dien bovenal het belang van je leerlingen, opdat zij zich tot toekomstige Wijzen ontwikkelen. Dat kan soms betekenen, dat men een betere leraar voor de leerling zoekt dan men  zelf kan zijn.

 

[9] Zodat hij een andere leraar kan zoeken die meer kennis heeft of beter bij hem past.

 

 

 Sterc.gif (1440 Byte)

[10b] Zeg niet: het is niet nodig dat ik hem bij de poort al tegemoet kom, want hij gaat vanzelf wel naar mijn huis. Zo de uitleg in Bené Avraham, commentaar van Rabbi Eliahoe ben Avraham van Delyatin, Bené Avraham. in Avot de-Rabbi Nathan, ed. Wilna 1933.


Vervolg tekst Avot de-Rabbi Nathan 14a-14b (15a)

'En bedek je met het stof van hun voeten' - Hoe is dat? Wanneer een Tora-wijze een stad bezoekt,[10a] dan moet je niet zeggen: 'Ik heb hem niet nodig', maar ga naar hem toe.[10b]
Zit niet samen met hem op een bed, niet op een stoel, en ook niet op een bankje, maar zit voor hem op de grond. En elk woord dat zijn mond verlaat, aanvaard dat in vreze en respect, in angst en beven.

[10a] Letterlijk staat er: 'Wanneer een Tora-wijze een stad binnengaat.' Ook zo uitgelegd: Ga al naar hem toe op het moment dat hij zich nog in de poort van de stad bevindt.
 

 

        Sterc.gif (1440 Byte)

(Nog) een andere uitleg van 'bedek je met het stof van hun voeten'. Dat is Rabbi Eli'čzer. 'En drink dorstig hun woorden' - dat is Rabbi Akiva. Men verteld dat hij (Akiva) al veertig jaar was en (nog) niets geleerd had. Een keer stond hij bij de opening van een bron.* Hij sprak: 'Wie heeft deze steen uitgehold?' Men antwoordde hem: 'Het water dat daar voortdurend op valt, iedere dag weer.' Men sprak: 'Akiva, heb je niet gelezen: Water slijpt stenen af" (Job 14:19)?' Onmiddellijk trok Rabbi Akiva bij zichzelf een conclusie van licht naar zwaar.[11] 'Indien het zachte (water) het harde (steen) uithouwt, hoeveel te meer dan zullen de woorden van de Tora - die hard zijn als ijzer - het hart van (een mens van) vlees en bloed behouwen.' Onmiddellijk kwam hij tot inkeer en begon Tora te leren.

 

[11] Dat wil zeggen, hij paste een a-fortiori redenering toe.

* Handschrift-Vaticaan leest: 'Een keer stond hij bij de mond (opening) van de bron van Lod en zag de uitgeholde steen die op de opening van de bron geplaatst was etc.'




[12] Zie het begin van het kleine talmoedtractaat Dčrčch Erčzt Zoeta: 'De weg der Wijzen is deemoed enz.'







Qkopchassied2.gif (8033 Byte)

Uitleg
Het Joodse leerproces duurt als het ware van de wieg tot het graf. In de Hebreeuwse uitdrukking voor Tora-wijze - talmied chacham - is al inbegrepen dat zelfs de grootste Wijze zelf ook leerling blijft. Talmied chacham - betekent immers letterlijk 'leerling van een Wijze'. En als leerling moet ook de Tora-wijze bescheiden blijven. Arrogantie of zelfgenoegzaamheid zal hem zijn kennis doen verliezen. De eerste eigenschap waaraan een Tora-geleerde volgens de traditie moet voldoen is 'tzeni'oet' - bescheidenheid en deemoed.[12] Alleen wie deemoedig is durft vragen te stellen en zijn eigen mening bij te stellen, zodat hij in wijsheid kan blijven groeien.


Een klein chassidisch verhaaltje vertelt hoe een leerling na jarenlange toegewijde studie zijn opleiding aan een Jesjiwe (de talmoedschool) had afgerond. Na de feestelijke 'afsluiting' van zijn lessen vroeg de rabbijn, zelf een eminent geleerde, aan de leerling wat hij in de voorbije jaren zo al begrepen had. Beteuterd - maar in ontluikende wijsheid en in bescheidenheid - antwoordde de student: 'Alleen maar een heel klein beetje, Rebbe.' De rabbijn, die de deemoed van de toekomende geleerde in de woorden van de jongen herkende, antwoordde bemoedigend: 'Dat is alles wat de grootste geleerde ooit van de Tora geleerd heeft, alleen maar een heel klein beetje.' Meer kan een mens van de Tora met haar oneindige wijsheid nooit begrijpen.'

Het vervolg van de tekst identificeert de ijverige leerling in de uitspraak van José ben Jo`ezer met Rabbi Eli'ezer ben Hyrcanos, een aanvankelijk ongeletterd man die uitgroeide tot een fenomenaal geleerde. Zijn inzicht en geheugen waren bijna spreekwoordelijk. Het voorbeeld bij uitstek van een leergierige student, die zichzelf niet te oud acht om nog te leren, was Rabbi Akiva.
De parabel van het zachte en beweeglijke water dat een vaste en harde rots uitholt, is met name zo toepasselijk, aangezien Rabbi Akiva zich in zijn jonge jaren zo hardvochtig tegenover de Tora en de Rabbijnse traditie te weer stelde. Hij was aanvankelijk niet alleen ongeletterd, maar  toonde zich tevens een verbitterde vijand van iedereen die zich met Tora bezighield. Ooit zou hij zo teruggekeken hebben op zijn eigen onwetendheid en op zijn grimmige cynisme uit het verleden: 'Toen ik nog een ongeletterde was, sprak ik: 'Ik zou een Tora-geleerde te pakken willen krijgen, dan zou ik hem muilkorven als een ezel'.[13]   

 
















Qkopchassied.gif (8057 Byte)

 

 

 

 

 

 

 

 

[13] Babylonische Talmoed Pesachiem 49b.

©  2012, dr. Marcus van Loopik, Hilversum

Naar volgende pagina (Avot de-Rabbi Nathan p. 15)  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Naar vorige pagina (Avot de-Rabbi Nathan p. 13):  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Naar het begin van de cursus (Avot de-Rabbi Nathan p. 1):  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Gaarne reacties en feedback: m.loopik50@upcmail.nl   Basisknopkl.jpg (825 Byte)