Olijf.gif (4574 Byte)


Naar hoofdpagina:
  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Avot de-Rabbi Nathan (19a-19b)

(Spreuken der) Vaderen van Rabbi Nathan

Midrasj, tekst en commentaar

Dr. Marcus van Loopik
Medewerker Stichting Pardes te Amsterdam, © 2012
Niets van deze website mag op enigerlei wijze worden vermenigvuldigd of openbaar worden gemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van bovengenoemde auteur

Sjioer 47


     
      Olijfb.gif (5153 Byte)
      Boekklkl.gif (8026 Byte)

       

 

        Sterc.gif (1440 Byte)

Vervolg tekst Avot de-Rabbi Nathan 19a

Wanneer een enkeling neerzit en zich bezighoudt met Tora-studie, diens loon wordt in den hoge (in de hemel) opgenomen (d.w.z. opzij gelegd en bewaard). Er is immers gezegd: '[Goed is het  als een knaap zijn juk draagt in zijn  jeugd.] Laat hij alleen terneer zitten en zwijgen, want hij heeft het (zelf) op zich genomen'[1] (Klaagl. 3:27-28). Men vertelt hierover een gelijkenis. Waarmee kan men dit vergelijken? Met een man die een jonge zoon bezat. Toen hij hem alleen liet en naar de markt ging, stond de zoon op, nam een rol, spreidde deze tussen zijn knieën, zat neer en bestudeerde deze. Toen zijn vader terug kwam van de markt sprak hij: 'Zie wat mijn jonge zoon heeft gedaan, nadat ik hem achterliet om naar de markt te gaan. Uit zichzelf ging hij studeren, nam een rol, spreidde deze tussen zijn knieën, zat neer en bestudeerde haar.' Zo leer je dat ook voor een enkeling die zich bezig houdt met Tora-studie beloning in den hoge opzij wordt gelegd.

      Boekklkl.gif (8026 Byte)
[1] D.w.z. de plicht tot studie, alsof de taak van de Tora van de Sinai alleen op zijn schouders rust; vgl. commentaar Bené Avraham (Rabbi Eliahoe van Delyatin) a.l.
Andere lezing van het vers: 'Want Hij (God) heeft het hem opgelegd', door J. Goldin  geïnterpreteerd als: 'Hij (God) heeft een beloning voor hem weggelegd'; J. Goldin, The Fathers According to Rabbi Nathan, p. 51.
;

Uitleg:

Evenals met bidden het geval is, verdient in je eentje studeren zeker niet de voorkeur. Daarvoor is de functie van 'gemeenschap' te belangrijk. Wie zich door omstandigheden gedwongen ziet om toch als enkeling te bidden of studeren, maakt zich niettemin verdienstelijk. Want ook bij de enkeling die zich wijdt aan Gods woord en traditie, wil de Allerhoogste aanwezig zijn. Volgens de parabel maakte de zoon zich juist extra verdienstelijk omdat hij geheel uit zichzelf de discipline opbracht om zijn dagelijkse portie traditie tot zich te nemen.

De passage in Avot de-Rabbi Nathan over samen studeren - en de nadruk die daarbij ligt op het belang van gemeenschap - verkrijgt extra contouren, wanneer we de passage vergelijken met een discussie in de Babylonische Talmoed. Bidden samen met de gemeenschap staat daarin centraal:











* Amora uit Eretz Jisra'el (vierde generatie).



** Rabbi Jitzchak, Tanna'iet uit Babylonië, vierde en vijfde generatie.





 




[4] Het Hebreeuwse woord  voor raad (eda) veronderstelt de aanwezigheid van minstens tien man; vgl. Babylonische Talmoed Sanhedrin 2a.


Het voordeel van samen 'lernen'
Een talmoedische discussie

Er wordt geleerd dat Rabbi Abba ben Benjamin* zegt: 'Het gebed van de mens wordt slechts (door God) gehoord in de synagoge. Er is immers gezegd: "[Moge U aandacht schenken aan het gebed van

Uw dienaar en aan zijn smeekbede, Eeuwige, mijn God;] door te luisteren naar de jubel en naar het gebed dat Uw dienaar heden bidt. [Laten Uw ogen open zijn, nacht en dag gericht op dit huis etc.]" (I Kon. 8:28-29). Op de plek waar gejubeld wordt,[2] daar moet worden gebeden.'
Rabbin bar Rav Adda* heeft gezegd in naam van Rabbi Jitzchak:** 'Hoe weten we dat de Heilige, Hij zij gezegend, aangetroffen wordt in de synagoge? Er is immers gezegd: "God staat in de raad der goden"[3] (Ps. 82:1).'

Hoe weten we dat wanneer tien mannen bidden de Sjechina onder hen verblijft? Er is immers gezegd: 'God staat in de raad der goden' (ibid.).[4]
Hoe weten we dit van drie (personen)? Er is immers gezegd: 'Te midden van rechters spreekt Hij recht' (ibid.)[5]
Hoe weten we van twee personen die neerzitten en zich bezighouden met Tora-studie dat de Sjechina met hen verblijft? Er is immers gezegd: 'Dan spreken zij die de Eeuwige vrezen, ieder tot zijn naaste: De Eeuwige slaat er acht op en luistert [Een gedenkboek is geschreven voor Zijn aangezicht, voor wie de Eeuwige vrezen en wie Zijn naam  hoogachten]' (Mal. 3:16). Wat betekent 'wie zijn naam hoogachten'? Rav Asji heeft gezegd: 'Wanneer iemand zich voorneemt een gebod te vervullen maar het noodgedwongen niet kan uitvoeren, dan rekent de Schrift het hem aan alsof hij het (wel) uitgevoerd heeft.'
Hoe weten we dat zelfs wanneer één persoon neerzit en zich bezig houdt met Tora-studie de Sjechina bij hem verblijft?  Er is immers gezegd: 'Op elke plaats waar Ik Mijn naam zal laten gedenken, daar zal Ik naar jou toekomen en je zegenen' (Ex. 20:21).[6]

 

 

[2] D.w.z.: op de plek waar liederen weerklinken (in de synagoge), daar moet ook worden gebeden.

 

[3] D.w.z.: de raad van engelen-dienaren.

 

 

 

[5]  Een gerechtshof bestaat uit minstens drie rechters.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[6] Babylonische Talmoed Berachot 6a.











[9] Zie Babylonische Talmoed Berachot 6a; vgl. Mechilta de-Rabbi Jisjma'el, Jitro par. 11; Misjna Avot 3,6 en Jalkoet Sjim'oni, Amos § 548.

Een Tora-bijeenkomst van minstens tien personen verdient dus de hoogste waardering!


Nu eenmaal gesteld is dat God zelfs met één persoon verblijft, waarom is het dan nog nodig de situatie van twee personen te noemen? Bij twee personen worden hun woorden opgetekend in het (hemelse) gedenkboek. Maar van één persoon worden de woorden niet opgetekend in het (hemelse) gedenkboek.[7]
Nu eenmaal is gesteld dat God zelfs met twee personen verblijft, waarom is het dan nog nodig de situatie van drie personen te noemen? Je zou mogelijk kunnen redeneren dat [het spreken van recht met drie personen] slecht het bewerken van vrede ten doel heeft [waarvoor geen speciale Tora-kennis vereist is] en dat de Sjechina daaraan niet komt deelnemen. Daarom worden we beleerd dat rechtspraak ook (een zaak van) Tora is![8]
Nu eenmaal is gesteld dat God zelfs met drie personen verblijft, waarom is het dan nog nodig de situatie van tien personen te noemen? In geval van het bijeenzijn van tien personen komt de Sjechina eerst, in geval van drie personen komt Hij pas nadat zij zijn gaan zitten.[9]

 

 

 

 

[8] Dus samen met een ander 'lernen' is toch te prefereren boven alleen leren.

 

[8] Vanwege deze les is het dus functioneel te vermelden dat de Sjechina ook met (een gerechtshof) van drie personen verblijft.

    

         Sterc.gif (1440 Byte)

















[10] Zie Don Jitzchal Abravanel, commentaar bij Misjna Avot 1,6.

Vervolg tekst Avot- de-Rabbi Nathan p. 19a
'En beoordeel ieder mens naar zijn verdiensten.'

Uitleg:

Kies de juiste vrienden
Het vervolg van de midrasj becommentarieert het slot van de al eerder genoemde uitspraak van Josjoea ben Perachja (Misjna Avot 1,6): 'Voorzie jezelf van een leermeester, verwerf een studiegenoot en beoordeel ieder mens naar zijn verdiensten (ten goede).'
Alvorens de tekst van Avot de-Rabbi Nathan te vervolgen, richten we eerst onze aandacht op de inhoudelijke samenhang tussen de drie raadgevingen die Josjoea ben Perachja ons voorhoudt. Het slot van zijn uitspraak zegt iets over de manier waarop mensen moeten oordelen om een keuze te maken in de relaties die ze aangaan.
We moeten de anderen bovenal evalueren naar hun verdiensten en niet naar hun al of niet vermeende negatieve kwaliteiten. Dat geldt ook bij de keuze van een studievriend of leermeester. Daarom - zo Don Jitzchak Abravanel - formuleert Josjoea ben Perachja letterlijk: 'Maak je een leermeester': »Dat wil zeggen, dat hij zich een leermeester moet kiezen en van (de woorden uit) zijn mond moet leren. En hij spreekt over 'maken' om te zegen dat  - ook al is hij daartoe niet geschikt - hij hem voor zichzelf tot meester moet maken etc.'[10]
Men moet bij de keuze van een leermeester of studievriend diens 'verdienste' - dat is bovenal wetsgetrouwheid en moreel tegoed - tegenwicht laten bieden tegen eventuele nadelen. Iedereen maakt wel eens een fout en niemand is in alle opzichten perfect.

Nadere nuancering
Onoverkomelijk rijst toch de vraag hoe je werkelijk ten gunste van iedere persoon zou kunnen oordelen. Hoe zou je doortrapte een onverbeterlijke schurk het voordeel van de twijfel willen gunnen? Is dat niet naïef? In de beantwoording van deze vraag verschaft het volgende commentaar H. Reisman op Misjna Avot de nodige verheldering bij dit probleem:


Rabbi Ovadja Bertinoro legt het zo uit: 'Oordeel ieder mens naar zijn verdiensten. [let. overeenkomstig de schaal van verdienste] - Alsof de zaak in de schaal van een weegschaal ligt, die noch naar de ene zijde noch naar de andere doorslaat. Zoals een mens wiens daden we niet kennen, van wie we niet weten of hij een rechtvaardige dan wel een overtreder is en hij verricht een daad die we zowel ten gunste als ten ongunste kunnen beoordelen. Het getuigt van de deugd van chasidoet (oprechte vroomheid) om dan ten gunste van hem te oordelen.«[11] 

Maar de Tanna (de tradent in de Misjna) zegt hier: 'Oordeel ieder mens ten goede.' Wordt dan simpelweg geleerd dat dit werkelijk ieder mens betreft?  In naam van Rabbi Boenam uit Peschista, hij zij ten goede vermeld, wordt het zo verklaard: »Oordeel ieder [de gehele] mens - op jou rust de plicht om een mens in zijn geheelheid te beoordelen, want ieder mens, ook de slechterik met al zijn gebreken, bezit zeker ook goede dingen, goede eigenschappen waarover je  gunstig kunt oordelen.[12]















 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[11] Zie ook het commentaar van Maimonides bij Misjna Avot 1,6.




[12] Reisman, Ijjoeniem be-Pirké Avot, Tel Aviv, 2001, p. 89-90


Ben Sirach* heeft de mensheid deze onvergetelijke en wijze woorden meegegeven, die toch een kritische instelling toont bij de keuze van vriendschappen:


Oude wijn smaakt beter dan nieuwe

Wanneer je een vriend kiest, kies hem dan na een test
en wees niet snel met hem te vertrouwen.
Want er bestaat een vriend voor het moment (dat het goed uitkomt), maar die jou niet ter zijde staat ten tijde van benauwenis.
Er bestaat een vriend die zich verandert in een vijand
en die door twist je publiekelijk te schande maakt.
Er bestaat een vriend die aan je tafel zit, maar die op kwade dagen zich niet laat vinden.
Wanneer het goed gaat, is hij als jezelf; maar wanneer het
je slecht vergaat, houdt hij zich verre van je.
Indien onheil jou treft, zal hij zich tegen je keren en uit
het zicht verdwijnen.
Blijf uit de buurt van vijanden en wees op je hoede voor
(onechte) vrienden.[13]


Laat een oude vriend niet in de streek, want een nieuwe kan niet aan hem tippen.
Een nieuwe vriend is als nieuwe wijn, hij moet eerst oud worden voordat je hem (met genoegen) drinkt. [14]




 

 

 

 

 

 

 

[13] Wijsheid van Ben Sira 6:7-15.





[14] Wijsheid van Ben Sira, 9:10.Zie F. Klagsbrun, Voices of Wisdom, Jewish Ideals and Ethics of Every Day, New York 1980, p. 45.

      

     Boekklkl.gif (8026 Byte)
 

Sjioer 48

Beoordeel ieder ten goede
Hoe vroom moet een 'mens' zijn?



     

        Boekklkl.gif (8026 Byte)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[2] Zo  in handschrift Epstein; vgl. ed. Schechter p. 38.

 


Vervolg tekst Avot de-Rabbi Nathan 19a

Het overkwam eens een jong meisje dat ze werd ontvoerd. En twee vrome mannen (chasidiem) volgden haar om haar vrij te kopen. Een van hen ging de hoerenkast binnen (waar zij gevangen werd gehouden). Toen hij weer naar buiten kwam, sprak hij tot zijn compagnon: 'Waarvan verdenk je mij?' De ander antwoordde: 'Ik dacht dat dat je binnenging om te weten te komen voor welke prijs zij wordt vastgehouden.[1] Hij sprak: 'Bij de tempeldienst zo was het.'  Hij voegde daaraan toe: 'Zoals je mij ten goede hebt beoordeeld, zo moge de Heilige, Hij zij gezegend, ook jou ten goede beoordelen. '

Een andere keer overkwam het een jong meisje dat ze werd ontvoerd. En twee vrome mannen volgden haar om haar los te kopen. Een van hen werd echter gearresteerd op beschuldiging van roverij en men hield hem vast in de gevangenis. Iedere dag bracht zijn echtgenote brood en water. Op een dag sprak hij tot haar: 'Ga naar die en die en zeg hem dat ik word vastgehouden in de gevangenis vanwege (mijn poging haar te vrijwaren van) prostitutie, terwijl hij zich in huis zit te vermaken en zich niet bekommert om het meisje.' Zij sprak tot hem: 'Nee (dat doe ik niet), is het niet genoeg dat je vast wordt gehouden in de gevangenis, dat je jezelf zo nodig ook nog eens bezig houdt met nutteloze zaken?' En zij ging niet, *maar hield zich (zelf) bezig met nutteloze zaken.* Hij sprak (opnieuw) tot haar: 'Alsjeblieft (ik smeek je), ga heen en zeg het hem!'
[Alternatieve en kortere versie: Op een dag sprak hij tot haar: 'Zeg aan die en die, dat ik vast word gehouden in de gevangenis'; maar zij hield zich (in plaats daarvan) bezig met nutteloze zaken.  Hij sprak (opnieuw) tot haar: 'Ga naar hem toe en zeg het hem etc.'][2]
Zij ging heen en zei het hem. Wat deed toen die man? Hij ging op pad en bracht zilver en goud bijeen en mensen om hem te vergezellen, en hij bracht beiden (de echtgenoot en het meisje) in vrijheid.
Toen de man vrij kwam, sprak hij: 'Geef mij dat meisje, opdat zij met samen met mij - met haar kleren aan - in bed slaapt.' De volgende ochtend sprak hij tot hen: 'Laat mij een ritueel bad nemen'[3]. En zij lieten hem een ritueel bad nemen. Hij sprak toen tot hen die hem het rituele bad lieten nemen: 'Waarvan hebben jullie mij verdacht in verband met het rituele bad?' Zij antwoordden hem: 'Al die dagen dat je in de gevangenis werd vastgehouden, was je hongerig en dorstig en nu je weer vrij en in de open lucht bent, is je vlees hitsig zodat je mogelijk een ongelukje (ongewilde zaadlozing) hebt gehad.' Hij sprak tot hen: 'En waarvan hebben jullie het meisje verdacht in verband met het rituele bad?' Zij antwoordden hem: 'Alle dagen dat zij verbleef tussen de heidenen at zij en dronk zij van het hunne (van hun onreine spijzen en dranken), daarom vroeg jij ons om  haar een ritueel bad te laten nemen, opdat zij gereinigd zou worden.' Hij sprak tot hen: 'Bij de tempeldienst, zo was het, moge de Alaanwezige jullie, die mij ten goede hebben beoordeeld, (eveneens) ten goede  beoordelen.'

Uitleg:

Iemand het voordeel van de twijfel gunnen

De verhalen spreken grotendeels voor zichzelf. Zoals wij anderen oordelen, zo zal de hemel ons oordelen. De vertellingen roepen op om bij een oordeel over onze naasten voorzichtig te zijn. We moeten onze medemens in eerste instantie het voordeel van de twijfel te gunnen.

De echtgenote uit het tweede verhaal koestert evenals haar echtgenoot aanvankelijk zekere vooroordelen. Bij onze uitleg gaan we uit van de langere versie (hoewel deze misschien niet de meest oorspronkelijke is). De vrouw nam het haar man kwalijk dat hij zo dom was geweest zich gevangen te laten nemen. Hoe wist zij zo zeker dat het zijn eigen schuld was? De gevangen genomen echtgenoot verdacht zijn compagnon, die na de mislukte actie weer huiswaarts was gekeerd, van onverschilligheid. Hoe kon hij zo zeker weten dat deze compagnon zich niet om het meisje en hemzelf meer bekommerde? Mogelijk had de compagnon tijd nodig om hulp te organiseren en was hij allang aan voorbereidingen bezig.[4] Waarom kenschetste de vrouw het initiatief van haar gedetineerde echtgenoot als 'nutteloze zaken'? En ging zij te makkelijk mee in de verdachtmakingen van haar man tegenover zijn compagnon? Veronderstelde zij misschien dat de compagnon in zijn zelfzuchtigheid geen reddingspogingen zou willen ondernemen en dat zijn plan zinloos zou blijken? Betichtte zij daarom haar man van het streven naar 'nutteloze zaken'?
Het verhaal neemt in deze langere versie een onverwachte wending, wanneer blijkt dat de compagnon in weerwil van de eerdere verdachtmakingen juist alles in het werk stelde om de twee vrij te krijgen. Het aanvankelijke wantrouwen in de goedheid en bedoelingen van de vrije compagnon kan een psychologische verklaring vormen voor het bizarre en provocatieve verzoek van hem om samen met het meisje in bed de nacht door te brengen. Wilde hij het echtpaar daarmee testen en beiden op hun nummer zetten? Door dit vreemde experiment kon hij zich er in ieder geval van vergewissen of zij dit keer hun vooroordelen zouden weten te bedwingen. Het echtpaar doorstond de proef en de Allerhoogste zou beiden daarvoor belonen. In de kortere versie ontbreekt het motief voor een dergelijke psychologische verklaring. 





[1] D.w.z.: voor welke losprijs ze kan worden vrijgekocht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[3] Letterlijk: Laat mij mezelf onderdompelen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[4] Vgl. het commentaar Bené Avraham van Rabbi Elia van Delyatin  bij deze passage.

 

 

 

 

Sterc.gif (1440 Byte)

 

* Rabbi Chanina ben Dosa (eerste eeuw van de jaartelling) behoorde tot de zogeheten ansjé ha-ma'asè - 'mannen van de daad', vrome mannen van weleer die wonderen konden verrichten.  Hij was leerling en collega van Rabbi Jochanan ben Zakkai, maar bezat ook een eigen school met leerlingen [vgl. Talmoed Jeroesjalmi, Berachot 5 (9a)]. Van hem zijn vele wonderverhalen bekend waaruit zijn uitzonderlijke vroomheid blijkt. Toch wordt hij soms onderscheiden van de chasidiem (Tosefta Sota 15,5).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[5a] Zo in het commentaar Bené Avraham van Rabbi Eliahoe ben Avraham van Delyatin, in Avot de-Rabbi Nathan (ed. Wilna 1933), p. 23b. Vgl. ook Ps. 1:1.

 

 

 

[7] Zie mijn uitleg naar aanleiding van Dèrèrch Erètz Zoeta 5,3 in: M. van Loopik, The Ways of the Sages and the Way of the World, Tübingen 1991, p. 267-268; vgl. ook a.w. p. 188-199 n.a.v. Dèrèch Erètz Zoeta 1,15. Vgl. Tosefta Demai 2.3.
De voorzichtigheid met anderen te dineren had tevens te maken met angt te eten van voedsel dat uitsluitend voor priesters bestemd was of waarvan hefoffers en tienden niet afgedragen waren (zie Dèrèrch Erètz Rabba 1).

 

 

Vervolg Avot de-Rabbi Nathan  19b

Zoals de rechtvaardigen van weleer ('vroege rechtvaardigen') vrome mannen (chasidiem) waren, zo waren ook hun dieren vroom. Men vertelt dat de kamelen van Avraham, onze vader, geen huis binnen wilden gaan, waar iets van van afgoderij (een of andere afgod) aanwezig was, zoals er gezegd is: '(Hij sprak: ...) Ik heb het huis ontruimd (gereinigd van afgoden) en plaats gemaakt voor de kamelen' (Gen. 24:31). Ik heb het huis ontdaan van de terafiem (de huisgoden). En wat wil zeggen 'plaats voor de kamelen'?  Dat leert ons dat zij het huis van de Arameeër Lavan niet wilden betreden voordat alle tekenen van afgoderij voor hen verwijderd waren.#

Een keer gebeurde het dat rovers de ezel van Rabbi Chanina ben Dosa* stalen. Zij sloten de ezel op in de hof en zetten stro, gerst en water voor hem neer, maar hij at en dronk niet. Zij spraken: 'Waarom zouden we het dier hier laten sterven en hem onze hof door zijn stank laten bederven? Zij openden onmiddellijk de poort voor hem en lieten hem vrij. Onderweg sleepte hij zichzelf voort [andere versie: balkte hij] totdat hij het huis van Rabbi Chanina ben Dosa bereikte. Toen hij bij diens huis aankwam, hoorde de zoon van Chanina zijn gebalk. Hij sprak tot hem: 'Vader, het geluid lijkt erg op het geluid van ons dier.' Hij antwoordde hem: 'Mijn zoon, open de poort voor hem want hij is nagenoeg gestorven van de honger'! Ogenblikkelijk opende hij de poort en zette haver stro en water voor hem neer, waarna het dier at en dronk. Zodoende zegt men: 'Zoals de rechtvaardigen van weleer vrome mannen waren, zo waren ook hun dieren vroom, net als zij zelf.'  


Uitleg:


Ernst met een glimlach
Deze fantasievolle verhalen behoeven op het eerste gezicht niet veel uitleg. Sprekend (zie vorige les) over chasidiem die in hun piëteitvolle vroomheid ieder het voordeel van de twijfel gunnen en zichzelf zo veel mogelijk vrijwaren van vooroordelen, vermeldt de midrasj hier nog een staaltje van de vroomheid van deze mannen.

Er is een verband met het voorafgaande - enigszins merkwaardige - verhaal over de chasied die bij het meisje wilde slapen om zijn onschuld aan te tonen. Deze 'geschiedenis' vormde de stimulans om een nog een 'sterker' verhaal uit de sfeer van de chasidiem toe te voegen. Deed de chasied van de vorige vertelling alle moeite om zichzelf in een verdacht daglicht te stellen, in het verhaal over Chanina ben Dosa is juist het tegenovergestelde het geval. Zelfs zijn ezel wenste zich niet te begeven in een omgeving waar dingen gebeuren die het daglicht niet kunnen verdragen!
Rabbi Chanina ben Dosa kende de vrome inborst van zijn ezel en wist nog voordat de poort geopend werd, dat zijn geliefde dier bij de rovers niets gegeten had! Niet is gezegd, waarom de ezel van Rabbi Chanina ben Dosa weigerde om bij de rovers voedsel te nuttigen of ook maar een druppel te drinken. Ongetwijfeld wilde het edele dier niets vreten in de nabijheid van wetteloze misdadigers, omdat de Schrift dat verbiedt. Zo lezen we in het boek Spreuken; 'Mijn zoon, ga niet met hen op pad, laat je voeten hun wegen mijden' (Spr. 1:15).[5][5b]
In kringen van de chasidiem en chaveriem (verbonden - geassocieerden) - een soort groepen en gezelschappen van zeer wetgetrouwe en scrupuleuze lieden - meed men zoveel mogelijk situaties die niet pasten bij een vrome en wetgetrouwe levenswijze. Uit die kringen stamt de uitspraak: 'Een mens moet er altijd acht op slaan met wie hij staat, met wie hij zit, met wie hij eet, met wie hij drinkt, met wie hij dineert, met wie hij spreekt en met wie hij een handtekening plaats omder een document.'[6] De zeer vromen waren uiterst beducht voor hun goede naam. Daarom meden zij alles wat afbreuk zou kunnen doen aan hun imago van heiligheid. Ze hielden zich verre van wie of wat ook maar in de verste verte verdenking zou kunnen wekken van overtreding of laksheid in de naleving van de wet.

»Deze verfijnde kringen betrachtten grote voorzichtigheid in het kiezen van hun gasten en aanvaardden een invitatie om ergens te eten uitsluitend indien zij wisten met wie zij precies van doen hadden; met de intentie om contact met goddeloze lieden te voorkomen (...) wetgetrouwe en scrupuleuze wijzen vermeden omgang met de 'am ha-aretz' (ongeletterden) teneinde niet betrokken te raken bij roddelpraat en om niet geconfronteerd te worden met vulgaire gewoontes, hetgeen hen in discrediet zou kunnen brengen en hun goede naam zou kunnen aantasten.'«[7]

De zeer vromen tafelden uitsluitend met 'geassocieerden', van wie zij zeker waren over hun wetgetrouwheid en met wie zij over aangelegenheden van Tora konden converseren. Zulke groepen studeerden tezamen, aten met elkaar en streefden naar een leven dat volkomen in overeenstemming was met de regels van de halacha.
Met name de maaltijden vormden gelegenheid om samen over de Tora te discussiëren, de aanwezigheid van de ongeletterde am ha-arètz was daarbij niet gewenst.[8]  

 

 

 

 

   Sterc.gif (1440 Byte)

# D.w.z.: door de terafiem te verwijderen, maakte Lavan plaats voor de kamelen van Avraham, die anders niet binnen waren gegaan. 
vgl. L. Finkelstein, Mavo le Massechtot Avot de-Rabbi Nathan, p. 120.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[5b] Van de ezel van een zekere Rabbi José (van Jokèrèt, Amora uit Eretz Jisra'el van de vierde generatie) wordt verteld, dat het dier na te zijn verhuurd met het huurbedrag op de rug gebonden huiswaarts keerde. Wanneer het bedrag te hoog of te laag was, weigerde het dier naar zijn meester huiswaarts te keren; zie Babylonische Talmoed Ta'aniet 24a.

[6] Massèchèt Derech Erètz Zoeta 5.

 

 

 

 

 

 

 

 

[8] Zie Massèchèt Dèrèch Erètz 4,1 en mijn commentaar aldaar, a.w., p. 252. 







[9] Zie Jeruzalemse Talmoed, Demai I, 22a; gecorrigeerd overeenkomstig de aanwijzingen in de Krotoschin-uitgave.

Een nog wonderlijker verhaal wordt over Rabbi Chanina ben Dosa verteld in de Jeruzalemse Talmoed. Zijn sjabbatstafel zou hebben geweigerd voedsel te dragen, waarvan de tienden niet waren afgezonderd:

»Rabbi Chanina ben Dosa zat op de avond van Sjabbat te eten, toen de tafel ineen zeeg. Hij sprak (tot zijn echtgenote): 'Wat is hier gaande?' Zij antwoordde hem: 'Ik heb kruiden gevraagd aan mijn buurvrouw waarvan de tienden niet afgedragen waren.' Hij (herstelde de fout en sprak) voor de tweede keer de zegen uit, waarop de tafel uit zichzelf weer oprees.«[9]

In midrasj Beresjiet Rabba is een verwant verhaal opgetekend naar aanleiding van de ezel van Rabbi Pinchas ben Ja'ir.* Daar voert men een nog verbazingwekkender motief aan voor het gedrag van de ezel:

 

* Rabbi Pinchas ben Ja'ir.  Tanna, tweede helft van tweede eeuw. Halachist en schoonzoon van Sjim'on bar Jochai.

 

 

 

 

 

[12] Gebruikt voor het bewerken en looien van huiden.

 

Rav Hoena zei dat Rabbi Jeremia aan Rabbi Cjijja bar Rabba vroeg: 'Leken de kamelen van onze vader Avraham niet op de ezel van Rabbi Pinchas ben Ja'ir? Rovers stalen de ezel van Rabbi Pinchas ben Ja'ir. Hij verbleef drie dagen bij hen en at niets. Zij spraken: 'Hij zal uiteindelijk nog sterven en onze hof met zijn stank bevuilen.' Zij zonden hem weg en hij ging (terug) naar het huis van zijn meester. Toen het dier aankwam balkte het. Toen Rabbi Pinchas ben Ja'ir zijn geluid herkende, beval hij: 'Maak de poort open voor dit arme dier en voer hem wat, want het heeft drie dagen lang helemaal niets gegeten. Men voerde het wat gerst, maar het wilde niet eten. Zij spraken tot hem: 'Rabbi, wij hebben hem gerst gegeven, maar hij wil niet eten.'Daarop vroeg hij: 'Hebben jullie het geschikt gemaakt?[10] 'Jazeker', antwoordden zij. 'Hebben jullie (volgens de regels voor) demai[11] (een deel) afgezonderd?' Zij antwoordden: 'Nee, heeft (onze) rabbi niet geleerd dat wanneer iemand graan voor het vee koopt of meel voor huiden[12], of olie voor een lamp of om daarme vaatwerk in te oliën, deze (producten) vrijgesteld zijn van (de regels) van demai"?' Daarop sprak hij: 'Wat kunnen we doen, nu het dier de wet zo extra strikt toepast voor zichzelf?'«[13]

 

 

 

[10] Door de gaven voor de priesters ervan af te zonderen.

[11] Oogst waarvan niet recht duidelijk is of de heffingen en tienden wel afgedragen zijn. Zij die strikt in de regels waren, aten hiervan uiteraard niet zonder alsnog het nodige af te dragen.

[13] Midrasj Bersjiet Rabba 60,8.Vgl. Babylonische Talmoed Choellien 7b; Talmoed Jeroesjalmi Demai  I, h. 2.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[15] Misjna Demai 2,3.

De ezel van Pinchas ben Ja'ir gedroeg zich ten opzichte van de wet dus uitzonderlijk vroom.
Speciaal in kringen van de zogeheten chaveriem en peroesjiem (afgescheidenen, Farizeeën) ging men uiterst scrupuleus om met spijswetten, reinheidsvoorschriften en demai, voedsel waarvan niet recht zeker was of de hefoffers en de tienden daarvan wel naar behoren waren afgescheiden en afgedragen. Zo is in In Misjna Demai overgeleverd:

»Hij die het op zich neemt een 'betrouwbare' te zijn (d.w.z. een scrupuleus en gewetensvol persoon in de uitvoering van de wet) moet een tiende geven van wat hij eet, van wat hij verkoopt en van wat hij koopt, en hij mag niet te gast zijn bij een am ha-aretz.[14] Rabbi Jehoeda zegt: 'Zelfs hij die te gast is bij een am ha-aretz kan nog altijd een 'betrouwbare' zijn.«.[15]

Niet iedereen was even streng voor zichzelf in de keuze van gasten en gastheer. In dit licht bezien, bezit het verhaal over de ezel van Pinchas ben Ja'ir een zweem van relativerende humor. Dat neemt overigens de oprechte eerbied voor het strikt toepassen van de wet niet weg!

Voedsel dat aanvankelijk gekocht en bestemd is voor menselijke consumptie, maar waarvan men achteraf besluit het toch maar aan de dieren te geven, mag niet zonder meer aan de dieren worden gevoerd. Eerst moet daarvan nog de tiende afgezonderd en afgedragen worden. De ezel van Pinchas ben Ja'ir wilde zich kennelijk strikt aan deze halachische verplichting houden!









[14] Iemand van het gemene volk dat door ongeletterdheid niet de finesses van de wet kent (en dus mogelijk ongeoorloofd voedsel aanbiedt waarvan bijvoorbeeld niet de tiende is afgedragen of van voedsel dat al voor de priesters bestemd is).

»Het gebeurde dat Pinchas ben Ja'ir* bij een zekere herberg aankwam. Men zette zijn ezel gerst voor, maar hij wilde niet eten. Het werd gezeefd, maar de ezel wilde het (nog altijd) niet eten. Rabbi Pinchas sprak tot hen: 'Misschien is de tiende er niet van afgezonderd. Zodra men de tiende ervan afgezonderd had, begon het dier te eten. Hij sprak: 'Dit arme dier wil de wil van Zijn schepper vervullen en jullie wilden het voeren met voer waarvan de tiende niet afgezonderd is!'«[16]

Overweging
Via een omweg klinkt in deze verhalen nog altijd de boodschap door - naar aanleiding van de hier becommentarieerde uitspraak van Jehosjoea ben Perachja - dat een mens verstandige keuzes moet maken bij het werven van vrienden en bij de beslissing met wie hij wel en niet omgaat. Men doet er overigens goed aan iemand het voordeel van de twijfel te gunnen. Onomstotelijk slecht gezelschap moet je evenwel mijden, maar dan wel weer zonder daarbij te overdrijven.
De beschreven verhalen zijn uiteraard legendarisch van aard en zeker niet gespeend van humor. De merkwaardige wonderverhalen over Chanina ben Dosa en Pinchas ben Ja'ir zijn van belang in zoverre ze bij alle ernst ook uitnodigen tot een glimlach. Hun humor verleent een zekere luchtigheid aan de op zich strenge en serieuze wetstraditie. Waar humor de ruimte krijgt, krijgt fanatisme niet zo snel een voet tussen de deur. Het subtiele mengsel van ernst en grap komt nog het meest pregnant naar voren in deze verzuchting:

»Indien de vorige geslachten van geleerden de zonen van engelen waren, zijn wij zonen van mensen; indien de vorige geslachten van geleerden de zonen van mensen waren, zijn wij als ezels, en nog niet eens als de ezels van Rabbi Chanina ben Dosa en Rabbi Pinchas ben Ja'ir, maar als (gewone) andere ezels.«[17]





[16] Babylonische Talmoed Choellien 7b

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[17] Babylonische Talmoed Sjabbat 112b.

    Boekklkl.gif (8026 Byte)



* Een buurman in de ruime zin van iemand uit de naaste omgeving (niet letterlijk buurman); vgl. Mechilta de-Rabbi Jisjma'el, Pischa par. 3, ed. M. Friedmann, p. 4a.




[2a] D.w.z. een plek met een of andere rottende schimmel die zich kan uitbeiden en die de omgeving verder kan aantasten.

[2b] Vgl. Lev. 14:33 vv. i.v.m. met de afbraak van door (schimmel)ziekte aangetaste muren. Hier in ARN heeft het geheel ook een metaforische bijbetekenis!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[4] D.w.z. ondeugden waarbij het uiterst moeilijk is om jezelf daarvan af te wenden en die het je beletten om omkeer te doen.

 

Sjioer 49

 

De besmettelijkheid van het kwaad


 

Vervolg tekst Avot de-Rabbi Nathan 19b

Nittai, de Arbeliet, zegt: 'Blijf verre van een slechte buur, en je mag geen vriendschap sluiten met de goddeloze (wetteloze), verlies je hoop op retributie niet.'
'Blijf verre van een slechte buur' - om het even of de buur in je huis of buiten je huis verkeert, en om het even of hij zich in het veld bevindt.* [Dit leert dat besmettelijke kwalen alleen ontstaan in het huis van de goddeloze, zoals er gezegd is: 'Zijn (eigen) ongerechtigheden zullen de goddeloze verstrikken' (Spr. 5:22].[1] Dit leert dat besmettelijke kwalen slechts ontstaan door de ongerechtigheid van de goddeloze. De ongerechtigheden van de goddeloze zijn er de oorzaak van dat de muur van de rechtvaardige instort (wordt geslecht). Hoe moet men zich dat voorstellen? Bijvoorbeeld wanneer zich een muur bevindt tussen (het huis van) de goddeloze en de rechtvaardige. Wanneer er nu een aangetaste plek (let.: kwaal)[2a] zichtbaar wordt in het huis van de goddeloze, en wel in de muur tussen zijn huis en dat van de rechtvaardige, dan heeft dit tot gevolg dat men - door de ongerechtigheid van de goddeloze - (ook) de muur van de rechtvaardige moet neerhalen.[2b] 
Rabbi Jsjma'el, de zoon van Rabbi Jochanan ben Beroka zegt: 'Wee de goddeloze, wee zijn buurman; de ongerechtigheden van de goddeloze veroorzaken dat de muur van de rechtvaardige instort.'

Uitleg:

Als een besmettelijke kwaal
Deze parabel spreekt tot de verbeelding. De slechtheid en de negativiteit van de goddeloze is als een rottende schimmel die zijn hele omgeving kan aantasten. Laster, spot, achterklap, hebzucht en dergelijke zijn als een aanstekelijke ziekte die zich razendsnel kan verspreiden, wanneer men zich daar niet verre houdt. Bij ieder contact kan de kwaal overslaan. Met name roddelpraat wordt in de traditie  geassocieerd met een besmettelijke ziekte zoals lepra. 
Angst te worden aangetast door het kwaad en de negativiteit van  goddelozen werd met name in kringen van de chasidiem gevoeld. Het door hen zo gevierde concept 'sejag la-Tora' een omheining rond de Tora - extra voorzichtigheid om van overtreding verre te blijven) noopte de vromen terughoudend te zijn in de omgang met anderen en kieskeurig bij het kiezen van vrienden. Je moet bij de boordeling van mensen - zoals we zagen - een ander het voordeel van de twijfel gunnen, wanneer er zowel zaken zijn die voor als die tegen iemand pleiten. Maar van aperte schurken moet je jezelf sowieso verre houden.

Met name in hun persoonlijke gebeden hebben de Wijzen formuleringen opgenomen waarin zij de hemel smeken verre te mogen blijven van de kwade invloed van de goddelozen, zoals in dit gebed (opgenomen in de ochtendgebeden):

'Laat de kwade drijfveer niet over ons heersen. En houd ons verre van een slecht mens en een slechte kameraad ... Moge het Uw wil zijn, Eeuwige, onze God, en God van onze vaderen, dat U ons deze dag en ieder dag redt van arrogante lieden en van arrogantie, van een slecht mens, van een slechte metgezel, van een slechte buurman, van een kwalijke ontmoeting en van Satan de vernietiger.'[3]

Moeilijk te genezen ondeugd
Niet alleen door de gemakkelijke verspreiding is de gewoonte van roddel en laster te vergelijken met een besmettelike ziekte, maar ook omdat deze ondeugden ingesleten raken en mensen ze niet langer als zonden herkennen. Juist daarom is het zo moeilijk ervan te genezen. Dat geldt ook voor de verknochtheid aan slecht gezelschap en slechte vrienden! Maimonides noemde juist dit soort slechte gewoontes en attitudes als obstakels om omkeer te doen:

»Daartoe[4] behoren vijf dingen waarvan geldt dat - indien een mens ze doet -  het niet in zijn macht ligt om zich daarvan af te keren: ...hij die zichzelf geëerd maakt door de geringschatting van zijn naaste en zegt (meent) dat hij (daarmee) geen overtreding begaat, omdat zijn naaste daarbij niet aanwezig is en hem de belediging niet bereikt en hij hem niet beschaamd maakt etc. (...)

En daartoe behoren vijf dingen waarvan geldt dat wie ze (eenmaal) doet daartoe voortdurend aangetrokken blijft, zodat het moeilijk is je ervan los te maken. Daarom moet de mens zich daarvoor ten zeerste hoeden, opdat hij er niet aan gehecht raakt. Het zijn alle buitengewoon ernstige gewoontes (ondeugden). Dit zijn ze: het verspreiden van roddel, laster, driftigheid, slechte gedachten en vriendschap (nauwe omgang) met goddelozen, omdat hij leert van hun slechte daden en deze in zijn hart gegrift worden etc.«[5]

     Boekklkl.gif (8026 Byte)





[1] Vgl. Handschrift Epstein, zie ed. Schechter p. 38 en zie editie van. A. Cohen (Soncino), p. 58. Zie ook Avot de-Rabbi Nathan, ed. Wilna.

 

 

  Sterc.gif (1440 Byte)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[3] Zie Babylonische Talmoed, Berachot 60b; en de Siddoer, Authorised Daily Prayerbook, ed. S. Singer, London  1962, p. 8. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[5] Maimonides, Misjné Tora, Hilchot Tesjoeva 4, 4-5.

 

'Blijf verre' - 'raak niet bevriend'
Het is opvallend dat Nittai de Arbeliet in zijn uitspraak (Pirké Avot 1,7) waarschuwt verre te blijven van een slechte buur, maar inzake de goddeloze slechts maant om geen vriendschap met hem te sluiten. De waarschuwing tegen de boosaardige buur is scherper geformuleerd en klinkt indringender.
In feite geeft het commentaar van in Avot de-Rabbi Nathan de reden aan voor dit verschil. Wanneer de slechte buurman door zijn wangedrag (zoals laster en roddel) een plaag over zijn huis afroept, heeft dit onvermijdelijk ook gevolgen voor zijn directe omgeving. Ook al zou een rechtvaardige niets van de slechte daden van een immorele buurman overnemen, alleen al de nabijheid tot de slechte buur brengt het gevaar met zich mee dat ook de rechtvaardige getroffen wordt door de gevolgen van het wangedrag van zijn slechte naaste. Bij een goddleoze in wiens onmiddellijke nabijheid men niet verkeert, bestaat dit gevaar niet in die mate. Daarom is het voldoende dat hij met deze 'verre' goddeloze geen vriendschap sluit. Hij moet de omgang met hem alleen tot het minimale beperken.
Om op dit verschil te attenderen, verwijst de midrasj naar de situatie die beschreven is in Lev. 14:40 v. In het geval dat het huis van een ('slechte') buurman is getroffen door een plaag, en de kwaal - ondanks maatregelen - van kwaad tot erger dreigt te worden, schrijft de Tora de volgende maatregelen voor: 'Dan moet de priester opdracht geven om de stenen, waaraan de ziekte zich bevindt, eruit te breken en ze buiten de stad te werpen, op een onreine plaats. Het huis moet hij van binnen rondom laten afschrapen, en zij[6] moeten het leem dat zij afgeschraapt hebben buiten de stad op een onreine plaats storten. Daarna moeten zij andere stenen nemen en invoegen op de plaats van de eerste stenen, en ander leem zal hij nemen en het huis bepleisteren.' (Lev. 14:40-42). In de Misjma concluderen de wijzen - op grond van het gebruik van het meervoud 'zij' in de Leviticus-passage - dat zowel de getroffen zondaar als zijn onschuldige buurman - dus beiden - voor het herstel van de woning aansprakelijk zijn:

»Op grond van dit vers heeft men gezegd: 'Wee de goddeloze, wee zijn buurman!' Beiden moeten (stenen) wegnemen, beiden moeten (de muur) afschrapen, beiden moeten (nieuwe) stenen aanbrengen. Maar alleen hij (de goddeloze) brengt ander leem, want er is gezegd 'en ander leem zal hij nemen en het huis bepleisteren.' Zijn naaste hoeft zich niet bij hem te voegen bij het bepleisteren.«[7]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[6] Uitgelegd als de huiseigenaar en zijn buurman.

 

 

 

 

 

 

 



[7] Misjna, Nega'iem 12,6.

 

 

 

 

 

 














* Rabbi Sjim'on ben Pazzi, Amora iot Ertetz Jisra'el,  tweede helft van de derde eeuw.




 


[9] Dw.z. moet hij dan uit angst voor overtreding  in volledig stilzwijgen de boze wereld verre houden en geen enkele activiteit meer verrichten?

** Rabbi Berechja, Amora uit Eretz Jisra'el, vierde eeuw.

*** Rabb Ze'era, Amora uit Babylonië, eind derde eeuw. Emigreerde naar Eretz Jisra'el.  

 

 

 

 

 

















































Excurs

Niemand leeft zonder zonde

We zagen al eerder in de verhalen over Chanina ben Dosa en Pinchas ben Ja'ir dat de Wijzen enerzijds de daden van beide vrome mannen als lichtend voorbeeld aan de gemeenschap voorhouden, maar dat ze anderzijds in de humor waarmee zij dit doen toch op latente wijze het respect voor hun extreme vroomheid wat relativeren. Hoever moet een mens gaan in zijn zelfbescherming tegen de kwade invloeden van de boze buitenwereld? Moeten we de gewone wereld maar liever mijden? Is het goed dat we een volkomen afgeschermde leefomgeving voor onszelf creëren, ver weg van de wereld met boze mensen? Mogen we onszelf prijzen wanneer we leven als onschuldige maar ons gedragen als wereldvreemde Tora-geleerden? Zoals blijkt uit de hier volgende overlevering uit de midrasj op de Psalmen spreken sommige Wijzen zich subtiel uit tegen een al te extreme voorzichtigheid, aangezien overdreven angst voor verleiding kan leiden tot inertie en tot onproductieve verzaking van het nu eenmaal te leven leven:

»'Welzalig de man die niet wandelt in de raad van de goddelozen, die niet staat op de weg van de zondaren, die niet zit op de zetel van de spotters' (Ps. 1:1).
Rabbi Sjim'on ben Pazzi sprak:* 'Wanneer hij niet wandelt, hoe kan hij dan staan? Wanneer hij niet staat, hoe kan hij dan zitten? En wanneer hij niet zit, hoe kan hij dan spotten? Maar dit is alleen om je te zeggen dat wanneer hij wandelt, hij uiteindelijk (ook) zal staan. Wanneer hij staat, zal hij uiteindelijk (ook) zitten. Wanneer hij zit, zal hij uiteindelijk (ook) spotten.'
Wanneer hij spot, zegt de Schrift: 'Indien je wijs bent, ben je wijs ten bate van jezelf; wanneer je spot, moet je het (.d.w.z. de kwalijke gevolgen) in je eentje dragen' (Spr. 9:12). Zo leren onze rabbijnen (in de Misjna): 'Het ene gebod sleept een ander gebod achter zich aan; de ene overtreding sleept een andere overtreding achter zich aan.'
[8]

Wanneer het zo is dat de mens niet wandelen, niet staan, niet zitten en niet spotten mag, moet hij dan noch goeds noch kwaad doen en (slechts) de hand op zijn mond leggen?[9] De Schrift vervolgt echter: 'maar die zijn vreugde vindt in de Tora van de Eeuwige' (Ps. 1:2)!

Rabbi Berechja** sprak: 'Er staat geschreven: "Wees niet al te goddeloos (doe niet al te zeer kwaad)" (Pred. 7:17). Is een beetje kwaad doen dan geoorloofd? Het betekent echter dat wanneer je (eenmaal een beetje) kwaad hebt gedaan je er niet aan toe moet voegen.
Rabbi Sjim'on bar Jochai sprak: 'Indien een mens neerzit en geen kwaad verricht, beloont men (de hemel) hem daarvoor alsof hij een gebod (en goede daad) heeft uitgevoerd.'
Rabbi Ze'era*** zegt (evenwel) : 'Er moet echter iets van een (mogelijke) overtreding binnen zijn bereik komen en hij moet eraan ontsnappen, er is immers gezegd: 'Wijk van het slechte en doe het goede' (Ps. 34:15). Wijk van het kwade opdat je het goede doet. Evenzo is gezegd: 'Ook bedrijven zij geen ongerechtigheid, opdat ze op zijn wegen wandelen' (Ps. 119:3).«
[10]

De midrasj is zo gecomponeerd dat een discussie over verschillende standpunten ontstaat. Rabbi Sjim'on ben Pazzi herkent de dynamische opbouw van Ps. 1:1. Van het een komt het ander. Wie zich niet eerst op weg begeeft, zal niet ergens blijven staan. Wie wel is gaan wandelen en daarna is gaan staan, loopt het gevaar dat hij verleid wordt om ook te gaan zitten (te midden van de spotters) en dat hij uiteindelijk samen met anderen gaat spotten. Om iedere verleiding uit de weg te gaan zou een mens dus in principe beter thuis kunnen blijven, want goddelozen kun je overal tegenkomen. Terecht vragen de Wijzen zich af of dit niet een al te rigoureuze remedie is tegen de verleiding. Wanneer we verder lezen in Psalm 1 blijkt dat de openingswoorden niet tot totale inertie aansporen, maar juist tot de activiteit van Tora-studie. Rabbi Sjim'on bar Jochai lijkt het goede van een onschuldig leven, zittend achter de studieboeken, te onderschrijven. Hij acht zo'n leven zelfs gelijkwaardig aan een actief bestaan waarin iemand concrete en goede daden verricht. Vanuit het inzicht dat deze psalm oproept tot Tora-studie lijkt het probleem dus opgelost.

De meningen van Rabbi Berechja en Rabbi Ze'era brengen evenwel een corrigerende nuance aan. Je kunt onmogelijk met anderen samenleven zonder jezelf daarbij ooit aan enige verleiding bloot te stellen of zonder ooit enige fout te maken. De Schrift waarschuwt de mens naar hun mening op om op de weg van een eenmaal gemaakte fout niet door te gaan. Wie op pad is gegaan - dat is in het leven noodzakelijk - en merkt dat hij zich op de weg van verkeerde lieden bevindt, moet daar niet blijven staan. Is hij al blijven staan dan moet hij in ieder geval niet ook nog eens gaan zitten etc. De uitspraak van Rabbi Ze'ira stimuleert ons om een actief leven binnen de gemeenschap te leiden. Daarbij zijn verleidingen voor een gewone sterveling nu eenmaal onvermijdelijk. We moeten evenwel van gemaakte fouten leren en op onze verkeerde schreden terugkeren. Eenmaal begane misstappen mogen we niet herhalen, laat staan eraan toevoegen. Als passend tegenwicht tegenover alle misstappen die we begaan hebben, moeten we bovendien goede daden verrichten.

De slechte buurman en de goddeloze,
en alternatieve verklaring voor het onderscheid
In het licht van de bovenstaande uitleg, kunnen we ook nog een psychologisch argument aanvoeren voor het onder scheid tussen de slechte buur en de goddeloze in de uitspraak van Nittai de Arbeliet. Het contact met jouw bekende, slechte mensen uit de directe omgeving (buren) kun je zoveel mogelijk mijden, omdat je hun slechtheid hebt leren kennen en van te voren gewaarschuwd bent. Van de verleidelijke boosaardigheid van goddelozen die verder 'van huis' op je pad komen, kun je minder makkelijk verre blijven, juist omdat je hun boosaardigheid vaak niet van te voren kent en nog ontdekken moet. Contact met hen is eenvoudigweg niet te voorzien of te voorkomen, maar je moet na ontmaskering van een goddeloze niet 'close ' met hem worden en je moet vriendschap met hem afwijzen!


 

 

 

 


















 



[8] Uitspraak van Ben Azzai in Pirké Avot 4,2.

 

 

 

 

 

 

[10] Midrasj Tehilliem 1,7.

 

 

 











































 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[13] Letterlijk: de omkeer van het naderbij brengen.

[14] M. Ahrend, Vie Juive, Jerusalem 1976, p. 59.


Twee vormen van ommekeer
De waarschuwing aan het begin van Psalm 1 is in de traditie niet alleen uitgelegd als oproep tot het absoluut vermijden van elke mogelijkheid van verleiding, maar ook als waarschuwing aan mensen die al eerder door hun omgeving tot kwaad zijn verleid. Wie heeft nooit vergenoegd gegniffeld bij het horen van onaangename toespelingen door anderen op een persoon tegenover wie hij (of zij) zelf negatieve gevoelens koestert? Wie zonder zonden is, werpe de  eerste steen. In dit licht citeren we hier een toelichting van Moshe Ahrend op een tekst van Maimonides:

»Het is nodig dat iemand 'het gezelschap van spotters' mijdt, waarover de psalm (Ps. 1) spreekt.  Indien hij erin slaagt zich te onthouden van roddel door zijn keuze van het gezelschap waarin hij regelmatig verkeert, dan is hij een waarachtig boeteling. Het hemelse pardon en de totale uitboeting van zijn zonden zijn hem verzekerd. Die vorm van omkeer behoort tot het genre van tesjoevat gèdèr[11], om te spreken met de taal van Rabbi Eli'èzèr van Worms.[12] Dat is niet geheel hetzelfde als volkomen omkeer, zoals Maimonides deze definieert. Die wordt niet eerder bereikt dan dat hij (de boeteling) zichzelf zozeer heeft verheven en opgevoed dat hij volkomen heeft losgemaakt van de beïnvloeding door zijn vrienden, op het moment dat hij - zelfs tussen lasteraars en spotters verkerend - zijn natuurlijke neiging, die hem voorheen gebracht had tot kwaadsprekerij, zal weten te bedwingen. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat hij zichzelf vrijwillig op de proef moet laten stellen. Maar de perfecte omkeer, of volgens de auteur van Sefer ha-Rokeach 'tesjoevat ha-b'a'ah,[13] wordt niet eerder bereikt dan wanneer de beproeving zich (ongewild) aandient en indien hij deze met succes ondergaat.«[14]

 

 

 

 

 

 

 

 

[11] Letterlijk: 'omkeer van de afgrenzing' (van het kwaad).

[12] Rabbi Eli'èzèr ben Jehoeda van Worms (dertiende eeuw), auteur van Séfèr ha-Rokeach.

'Verlies je hoop op (verwachting van) retributie niet'
Voor het slot van de spreuk van Nittai de Arbeliet bestaan verschillende verklaringen. Wanneer je ziet, dat het de goddelozen goed gaat en je slechte buurman door geen enkele kwaal getroffen wordt, vrees dan niet dat hij niet vroeg of laat toch gestraft zal worden. En ga dan niet geloven dat omgang met hem geen gevaar inhoudt omdat slecht gedrag onbestraft blijft. 
Wanhoop als mens die streeft naar rechtvaardigheid ook niet, wanneer het jezelf minder goed gaat dan de goddelozen. Want zowel jouw beloning als hun straf zal niet uitblijven, is het niet in dit leven dan zullen die beloning en straf in het hiernamaals volgen.

Zelfs wanneer je zo sterk bent dat je niets van de handelwijze van slechte mensen overneemt, distantieer je dan toch van de goddeloze en de slechte buur, want hoe dan ook zal de omgang met hen in je nadeel blijken. Al is het alleen maar dat je door in slechte kringen te verkeren je goede naam verspeelt. Zo merkt Ovadja Bertinoro in zijn commentaar bij Misjana Avot 1,7 op dat iemand die met goddelozen omgaat is als iemand die het huis van een leerlooier betreedt. Ook al neemt hij geen enkel voorwerp uit het huis mee, bij zijn vertrek zal de stank aan hem kleven en hem onontkoombaar  blijven vergezellen.

 

©  2012, dr. Marcus van Loopik, Hilversum

Naar volgende pagina (Avot de Rabbi Nathan p. 20) Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Naar vorige pagina (Avot de-Rabbi Nathan p. 18):  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Naar het begin van de cursus (Avot de-Rabbi Nathan p. 1):  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Gaarne reacties en feedback:  m.loopik50@upcmail.nl Basisknopkl.jpg (825 Byte)