Olijf.gif (4574 Byte)




Naar hoofdpagina:   Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Avot de-Rabbi Nathan (8a-b)

(Spreuken der) Vaderen van Rabbi Nathan

Midrasj, tekst en commentaar

Dr. Marcus van Loopik
Medewerker Stichting Pardes te Amsterdam, © 2012
Niets van deze website mag op enigerlei wijze worden vermenigvuldigd of openbaar worden gemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van bovengenoemde auteur


 

     
      Olijfb.gif (5153 Byte)
 

 

 

 

  Sterc.gif (5478 Byte)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[2] Rav Papa (ca. 300-375), Babylonische Amora (leerling van Rava en Abbajé), stichtte een academie in Naresj (vlak bij Soera) met vele leerlingen. Hij streefde naar verzoening van conflicterende uitleg,  zijn mening is in vele halachische discussies te vinden. Hij was eveneens een succesvol zakenman.

[3] Zie Babylonische Talmoed Jevamot 109b.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Avot de-Rabbi Nathan, hoofdstuk III


Tora-studie en integriteit


Sjioer 25

Vervolg tekst Avot de-Rabbi Nathan (eind 7b) 8a-b

'En maakt vele leerlingen'.
Want in de school van Sjammai zegt men: 'Men mag slechts iemand onderwijzen die wijs is, lankmoedig, van goede afkomst en rijk.' Maar in de school van Hillel zegt men: 'Men onderwijst aan ieder mens, want er waren vele wettelozen in Israël die nader werden gebracht tot Tora-studie en uit hen kwamen rechtvaardigen, vrome en waardige mensen voort.'

Uitleg:

Toelatingsbeleid in het onderwijs

De midrasj zet hier de uitleg voort van de drie aanwijzingen van de mannen van de Grote Synagoge, zoals die in Spreuken der Vaderen zijn overgeleverd: 'Weest geduldig met het vellen van een oordeel, maakt vele leerlingen en maakt een omheining rond de Tora.' Op die omheining rond de Tora is de midrasj al uitvoerig ingegaan. Hier komt het vervolg van de woorden van de mannen van de Grote Synagoge ter sprake. In feite zien we ook hier een verdere uitwerking van het thema waarmee het geschrift Spreuken der Vaderen begint: overdracht van traditie vanaf de berg Sinaï, van generatie op generatie.
Over de waardigheid en goede bedoelingen van Mosjè, de Oudsten, de Profeten en de grote 'Schrijvers' als Sjlomo en David bestaat overeenstemming. Maar hoe zit het met de overdracht van de heilige traditie aan gewone eigentijdse leerlingen? Wie is waardig genoeg om de traditie te ontvangen en door te geven, wie niet?

Leren om te doen
Herhaaldelijk waarschuwen de Wijzen tegen onderwijs aan ongemotiveerde of onwaardige leerlingen. Er kleeft gevaar aan het vergaren van kennis zonder de doelstelling van een ethische levenspraktijk en het welzijn van de gemeenschap. Hoeveel misbruik van kennis op allerlei gebied heeft de geschiedenis niet vertoond?! Daaruit is wel gebleken hoezeer de vrees van de Wijzen voor puur theoretische en niet doorleefde kennis gerechtvaardigd is. Wetenschap die los staat van ethiek kan tot destructief gedrag leiden. Een groot deel van wat aan techniek is uitgevonden, is gericht geweest op het vergroten van macht en militaire slagkracht.
Zo zeggen de Wijzen dat het voor iemand die het goede leert maar het geleerde niet in in praktijk wil brengen beter ware, wanneer hem direct na de geboorte de placenta in het gezicht was gesmeten. Zijn komst op deze wereld is een bedreiging en smaad.

Tora leren doe je om een gaaf mens te worden. Zo is gezegd van Gods verordeningen: 'En jullie zullen ze leren en jullie zullen ze onderhouden om ze te doen' (Deut. 5:1).[1]  Studie zonder de juiste gezindheid en zonder bereidheid ook te doen, zal bovendien niet stand houden: 'Het begin van wijsheid is vrees voor de Eeuwige, een goed begrijpen voor allen die ze doen' (Ps. 11:10; vgl. Spr. 1:17). Mede op grond van dit schriftvers sprak Rav Papa[2]:

'Ieder die zich bezighoudt met het doen, is ook bezig met het leren. Ieder die zich niet bezighoudt met het leren, is evenmin bezig met het doen.'[3]

Leren en doen zijn twee kanten van hetzelfde proces. Je kunt niet juist handelen zonder kennis van Gods geboden. Wie er niet naar streeft wat hij geleerd heeft in goede daden om te zetten, zal zijn verworven kennis snel vergeten. Goede daden vormen een integraal onderdeel van het leerproces.

In de school van Sjammai wordt daarom gewaarschuwd tegen onderricht aan ongemotiveerde leerlingen, zonder welwillende gezindheid. Alleen leerlingen die aan de volgende criteria voldoen, zijn  volgens Beth-Sjammai geschikt voor het Tora-onderwijs: lankmoedig en bescheiden, van goede afkomst - dat wil zeggen van huis uit van  beschaving voorzien - en tot op zekere hoogte financieel onafhankelijk. Door deze eisen te stellen voorkom je dat een leerling Tora-kennis louter wil vergaren om daarmee in zijn in zijn levensonderhoud te voorzien of om status te verwerven:

MOppenheim-b.jpg (43091 Byte)

'Opdat je niet zegt: Welnu, ik leer Tora opdat ik rijk zal worden, opdat ik 'rabbi' zal worden genoemd ... opdat ik 'geleerde' genoemd zal worden, opdat ik in de talmoedschool mag verblijven, opdat ik mijn dagen zal verlengen in de Komende Wereld. Daarom is er gezegd: "om de Eeuwige, jouw God, lief te hebben (Deut. 11:22 )."'[4]  

 

M. Oppenheim, De overhoring

 

 

 

Dit klinkt ergens bijna modern. Om het goede te doen heb je in feite weinig of geen geen metafysische voorstellingen nodig. De beloning voor het verrichten van goede daden komt voort uit die daden zelf, en is gelegen in de vreugde om die daden.

 







































 

 

 

 

 

 

[1] Vgl. Babylonische Talmoed Joma 35b.






























 

[4] Zie Midrasj Sifré Devariem § 41 en § 48.

 

 

 

[5] Rabbi José bar Chalafta, Tanna'iet uit het midden van de tweede eeuw.




Deze aanschouwelijke vertelling  van Rabbi José bar Chalafta[5] sluit aan bij de eisen van Sjammai:

»'En Ik zal hem vervullen met een geest van wijsheid ...'(Ex. 31:3) - want er was reeds wijsheid in hem. Een dame uit de hogere stand vroeg eens aan Rabbi José bar Chalafta: 'Wat betekent het dat er geschreven staat: "Hij schenkt wijsheid aan de wijzen" (Dan. 2:21)? Er had geschreven moeten staan: "aan de dwazen"'. Hij sprak tot haar: 'Mijn dochter, indien twee mensen naar je toe zouden komen, de een arm en de ander rijk, en zij zouden de behoefte hebben om geld van je te lenen. Aan wie van beiden zou je het dan lenen?' Zij antwoordde hem: 'Aan de rijke natuurlijk!' Hij vroeg haar; "Waarom dan wel?' Zij antwoordde:  'Indien hij (financieel) verlies zou lijden, dan zou hij [mij niettemin nog kunnen terug]betalen. Maar wanneer de arme een verlies zou lijden, waarvan zou hij mij het dan [terug]betalen?' Rabbi José sprak toen tot haar: 'Mogen je oren horen wat je mond spreekt! Indien nu de Heilige, Hij zij gezegend, wijsheid zou schenken aan de dwazen, dan zouden zij op onreine plaatsen verblijven, in theaters en badhuizen en zich er [verder] niet mee bezighouden. De Heilige, Hij zij gezegend, gaf haar [d.w.z. de wijsheid] echter aan de wijzen, want zij verblijven in de raad van ouden, in synagogen en in leerhuizen en houden zich met haar bezig. Daarom dan staat geschreven: "Hij schenkt wijsheid aan de wijzen en kennis aan hen die inzicht bezitten" (Dan. 2:21).'[6]«

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 













[6] Zie Tanchoema Jasjan, Wa-jakhel en Midrasj Kohèlèt Rabba 1,7.

 

 

 

 

 

 

 

 

[8] Op de dag dat Rabban Gamli'el werd afgezet, maakte men meteen een einde aan diens rigiede toelatingsbeleid bij het werven van nieuwe leerlingen voor de academie.

[10] Zo groot was de aanwas van leerlingen onder het nieuwe en versoepelde toelatingsbeleid.

* Abba Joséf ben Dostai - waarschijnlijk is hij Abba José ben Dostai, een Tanna'iet van de vierde generatie.

[12] Zie Babylonische Talmoed Berachot  28a.

 

i

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[14] Het werpen van een steen maakte deel uit van het ritueel waarmee men deze heidense God eerde.

 

 


In de school van Hillel vertrouwde men op de wonderbaarlijke kracht van de Tora om mensen te veranderen. Velen uit Israël die in het verleden vanuit zelfzuchtige motieven Tora begonnen te studeren, zijn immers uitgegroeid tot grote rechtvaardigen. Wanneer je zoals in de school van Sjammai iedere leerling meteen al bij de poort zou wegsturen, zo hij niet aan de hoogste standaard voldoet, dan zou je daarmee verhinderen dat vele potentiële rechtvaardigen in Israël zich ooit tot gave mensen ontwikkelen.

Het volgende verhaal laat iets zien van de spanning tussen de zienswijzen van beide scholen. We vernemen hoe de geest van Hillel - die vol vertrouwen was in de kracht van de Tora en een zeker pragmatisme liet prevaleren - toch de overhand kreeg boven het strenge idealisme in de school van Sjammai .


»Het volgende is overgeleverd. Op dezelfde dag nog[7] verwijderde men de deurwachter [van de academie] en stond men de leerlingen om  binnen te gaan[8]. Want Rabban Gamli'el had deze verordening doen uitgaan: 'Elke leerling, wiens binnenzijde niet overeenstemt met zijn buitenzijde[9] zal geen toegang krijgen tot het leerhuis.' Op die dag[7] werden vele banken [in het leerhuis] er bijgeplaatst.[10] Abba Josef ben Dostai* en de rabbijnen verschillen daarover van mening: de ene partij zegt dat er vierhonderd banken werden bijgeplaatst, en de andere partij beweert dat het zevenhonderd banken waren. Rabban Gamli'el raakte uit zijn evenwicht en sprak: 'Misschien, moge de hemel dit verhoeden, heb ik de Tora van Israël weggehouden!' In zijn droom werden hem witgekalkte kruiken vol met as getoond.[11] Dit betekende [echter] niets, het werd hem slechts getoond om hem gerust te stellen«[12]


Uit de strengheid in de school van Sjammai kunnen we evenwel een belangrijke les trekken. Er bestaat een wereld van verschil tussen hoegenaamde waardevrije wetenschap en waarachtige wijsheid. Aan leerlingen stellen de Wijzen niet in de eerste plaats cognitieve eisen, zoals een analytische vermogen en goed geheugen. Maar zij verwachten bovenal van een goede leerling eigenschappen als bescheidenheid, verdraagzaamheid, liefdevolle inzet enz. De inrichting van het onderwijs moet zich allereerst richten op het aanleren van deugden zoals gemeenschapszin (liefde voor Israël en het land) en naastenliefde. Een maatschappij kan zich alleen op vruchtbare wijze ontwikkelen, wanneer daarin waarden als loyaliteit, verantwoordelijkheid, liefde en onbaatzuchtigheid alle ruimte en aandacht krijgen. Een leerling, waarvan niet duidelijk is of zijn goede wil wel ooit gewekt kan worden, is daarom niet geschikt.

Uit de mening van Sjammai mogen we een actuele les trekken. 'Lernen' - onderwijs - is een sociaal proces. Een leerling die wangedrag vertoont en een onjuiste of geen motivatie heeft om te leren, kan het leerproces verstoren. Daarom moet er een mogelijkheid bestaan om een leerling als deelgenoot van een studiegroep - op zijn minst tijdelijk - te weigeren.

Maimonides waarschuwt in zijn grote wetscodex evenals de school van Sjammai tegen onderricht aan pertinent onwaardige leerlingen:


Misjné Tora, Hilchot Talmoed Tora

»Men onderwijst slechts Tora aan een geschikte leerling, die aangenaam (waardig) is in zijn daden, of aan iemand die (in ieder geval) onschuldig is[13]. Maar wanneer iemand zich op het slechte pad begeeft, doet men hem (eerst) ten goede veranderen en leidt men hem op de rechte weg en stelt men hem op de proef - en pas daarna laat men hem toe tot het leerhuis en geeft men hem onderricht. De Wijzen zeggen: Ieder die onderricht geeft aan een leerling die niet geschikt is, is als iemand die een steen werpt naar (de afgod) Mercurius[14];  er is immers gezegd: 'Zoals wanneer men een steen in de slinger plaatst, zo is iemand die eer geeft aan een dwaas' (Spr. 26:8).[15]«

 

 

 

 

 

 

 

 

[7] Op de dag, namelijk, dat Rabban Gamli'el (tijdelijk) werd afgezet als hoofd (nasi) van de academie en vervangen werd door Rabbi El'azar ben Azarja. Dit vanwege het autoritaire optreden van Rabban Gamli'el.

[9] Aspirant leerlingen moesten als het ware mensen zijn 'uit één stuk',  een even edel karakter hebben als hun uiterlijk deed voorkomen. Kortom zij moesten aan een hoge morele standaard van integriteit voldoen.

[11] Dit droombeeld zou op het eerste gezicht kunnen betekenen, dat Rabban Gamli'el vele leerlingen onterecht had afgewezen als onwaarachtige mensen, wier buitenkant mooier was dan hun binnenkant. Het tegendeel blijkt evenwel volgens het slotcommentaar het geval! De hemel wilde Rabban Gamli'el juist troosten en onthulde hem in de droom  dat de door hem afgewezen leerlingen inderdaad een slecht karakter bezaten.

 

 

 

 

 

[13] Wiens geschiktheid nog uit de praktijk moet blijken.

[15] D.w.z. zoals de steen spoedig uit de slinger geslingerd wordt, zal de eer die aan een dwaas is verleend als sneeuw voor de zon teloor gaan. Het is als paarlen voor de zwijnen werpen. Zie Maimonides, Misjné Tora, Hilchot Talmoed Tora 4,1.

Sterc.gif (5478 Byte)[17] Vgl. Misjna Pea 8,8 en Babylonische Talmoed Ketoevot 68a.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

18] Zie Maimonides, Misjné Tora, Hilchot Talmoed Tora 3,10.

Vervolg tekst Avot de-Rabbi Nathan 8a

Rabbi Akiva zegt: 'Ieder die ook maar een peroeta (een cent) als aalmoes aanvaardt, wanneer hij dit niet nodig[16] heeft, verlaat deze wereld niet voordat hij afhankelijk wordt van de hulp van de mensen.'[17]

Uitleg:

Omgang met gemeenschapsgelden
Op het eerste gezicht is de inhoudelijke samenhang met het voorafgaande niet duidelijk. Toch kunnen we een associatief verband vermoeden. Waarschijnlijk vormen de woorden van Rabbi Akiva - althans in deze context - een subtiele waarschuwing tegen mensen die Tora willen studeren op kosten van anderen, hoewel dit niet noodzakelijk is. Wie Tora wil leren en daarbij niet wil werken maar wil leven van liefdadigheid, defameert de Tora en brengt zijn eigen ondergang naderbij. Zo de mening van Maimonides:

 


Misjné Tora, Hilchot Talmoed Tora

»Ieder die zich ertoe zet om Tora te studeren en geen (betaald) werk verricht maar zichzelf onderhoudt met steun van liefdadigheid (aalmoezen) - die ontheiligt zeker de Naam, hij draagt bij aan de verachting van de Tora en blust het licht van religie; ook brengt hij ongeluk over zichzelf  en hij berooft zichzelf van het leven in de Komende Wereld - het is immers verboden om in Deze Wereld (materieel) profijt te ontlenen aan de woorden van de Tora. De Wijzen zeggen: 'Ieder die profijt ontleent aan de woorden van de Tora, die draagt bij aan zijn eigen dood' (Spreuken der Vaderen 4,5). Verder hebben zij geboden en gezegd: 'Maak er geen kroon van om jezelf daarmee groot te maken en geen spade op daarmee te graven'  (Spreuken der Vaderen 4,5). Eveneens geboden en spraken zij: 'Heb werk lief, maar haat het meesterschap (rabbanoet)' (Spreuken der Vaderen 1,10). Alle Tora(studie) die niet gepaard gaat met werk is uiteindelijk futiel en brengt zonde met zich mee. Het einde van zo'n persoon zal zijn dat hij zijn medemensen berooft.«[18]

 


[16] De Misjna geeft een juridische grens aan die bepaalt wie arm genoeg is om van   de landbouwgaven gebruik te maken. Wie een beschikbaar kapitaal bezat van 200 zoez  of meer, mocht niet nemen (van lèkèt, sjikcha en pea.); zie Misjna Pea 8,8 ; zie voor verdere details en historische nuances R. Evers, Tzedaka, Amsterdam 1993, p. 134 vv.

In deze uitspraak van Rabbi Akiva gaat het overigens niet om landbouwgaven als zodanig (sociale voorzieningen binnen de gemeenschap), maar om de moraal rond het aanvaarden van hulp en aalmoezen in het algemeen.

 

Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt. Tora-geleerden, de geestelijke leiders van het volk, dienen een onafhankelijke positie in te nemen. Afhankelijkheid van de goedwillendheid van gulle gevers kan die onafhankelijke positie in gevaar brengen. Buitendien behoren Tora geleerden geen wereldvreemde wijsneuzen te zijn wier ervaringswereld zich beperkt tot het papier van boeken. Zij moeten bij voorkeur met beide benen op de 'werkvloer' staan en daadwerkelijk betrokken blijven bij het maatschappelijk gebeuren van gewone mensen. Op het beoefenen van handwerk keken de rabbijnen daarom niet neer zoals bijvoorbeeld de Grieken. Hun ideaal was juist om Tora-kennis met actieve deelname aan het gewone maatschappelijke leven te paren.  aarom oefenden vele Tora-geleerden naast hun studie doorgaans ook een of ander praktisch beroep uit. In deze gewoonte schuilt een actuele les voor de politieke, geestelijke en intellectuele leiders van elke gemeenschap!

       

      Boekklkl.gif (8026 Byte)

 

[1] Zie ook Misjna Pea 9,9.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[5] Babylonische Talmoed, Sjabbat 105b.

 

 

 

 

 

 

Voorbeelden van onwaardig gedrag


Sjioer 26

Vervolg tekt Avot de-Rabbi Nathan 8a

Hij (Rabbi Akiva) placht te zeggen:  'Hij die lappen bindt over zijn ogen en om zijn lendenen en roept: "Geeft aan de blinde! (Geeft) aan de zieke" (let.: aan wie door gezwellen getroffen is), zal uiteindelijk de waarheid spreken![1]
Voorts placht hij te zeggen: 'Wie zijn brood op de grond smijt en wie in woede zijn geld strooit, zal niet uit deze wereld verscheiden voordat hij op hulp van zijn medemensen is aangewezen.' Eveneens placht hij te zeggen: 'Hij die in woede zijn kleren scheurt of die in woede zijn serviesgoed breekt, zal uiteindelijk afgoden dienen. Want zo is de werkwijze van de kwade drijfveer: vandaag zegt hij iemand: "scheur je kleren"; en morgen zegt hij hem: "dien afgoden."'[2]
Hij placht ook te zeggen: 'Wie zijn oog richt op zijn vrouw  in de hoop dat zij zal sterven, zodat hij van haar kan erven; of opdat zij sterft, zodat hij haar zuster kan huwen; of al wie zijn oog richt op zijn broeder opdat hij sterft, zodat hij diens vrouw huwen kan, zal het uiteindelijk overkomen dat zij hem begraven terwijl zij zelf nog in leven zijn. Over zo iemand zegt de Schrift: "Wie een kuil graaft zal er (zelf) in vallen, en wie door een omheining breekt, een slang zal hem bijten" (Pred. 10:8).'[3]

Uitleg:

Voorbeelden van karakterlooheid
De relatie met het voorafgaande in de midrasj is losjes en associatief. Uit mnemotechnische overweging brengt de midrasj hier nog enkele uitspraken van Rabbi Akiva, waarin hij karakterloos en onwaardig gedrag verwerpt. Een verbindende gedachte is, dat we op verantwoorde wijze met middelen en mensen moeten omgaan. Verspilling en misbruik van sociale voorzieningen is uit den boze. Leidraad is ook de gedachte dat een mens zichzelf vroeg of laat tegenkomt. Het leven verzint als het ware een passende straf voor grof en onwaardig optreden. Maar ook met kwade intenties ten opzichte van onze naaste gaan we al over de schreef, een typisch chassidische notie.
Onwaardig gedrag leidt van kwaad tot erger. Het zal uiteindelijk slecht voor de dader zelf uitpakken. In de parallel in de Babylonische Talmoed wordt nog de extra uitleg van Rabbi Avin toegevoegd: 'Welk vers (geeft dit aan)?[4] "Er zal geen vreemde God in je zijn, je mag je voor een vreemde God niet ter aarde werpen" (Ps. 81:10). Wie is de vreemde God die verblijft in de mens? Zeg, dat is de kwade drijfveer.' [5] Wie eenmaal de kwade drijfveer in zichzelf toelaat, zal hem ten slotte als een God gaan vereren en zich voor hem in het stof werpen.

Wie zich uit opportunisme bedrieglijk voordoet als blinde, lamme of anderszins ziekte veinst, zal geen leugen meer blijken te spreken. Hij zal  ten slotte met het lichamelijke mankement behept raken waarin hij anderen wilde doen geloven: »"Ieder die geen lamme, blinde of mankepoot is maar zich als een van hen voordoet, zal niet van ouderdom sterven voordat hij (daadwerkelijk) een van hen is geworden, want er is gezegd: 'Gerechtigheid, gerechtigheid zul je najagen' (Deut. 16:20).«[6]

Het verloop van de uitspraken bezit een zekere dynamiek en actualiteit.  Misbruik van algemene middelen en misbruik van de goedgeefsheid van de gemeenschap is verwerpelijk. Wie een gebrek of onvermogen veinst om ten onrechte van algemene middelen en liefdadigheid gebruik te maken, benadeelt hen die daarop werkelijk aangewezen zijn. De bedrieger verdient het om de ziekte en het gebrek te ontvangen, die hij heeft voorgewend. Maar ook onrespectvolle omgang -  met wie het ook is, en ook al is er niet direct sprake van financieel misbruik - getuigt van karakterloosheid.

Dit laatste blijkt uit het volgende verhaal over Rabbi Akiva en zijn ironische reactie op een 'bruut' die slim dacht te zijn.

 

 

   Boekklkl.gif (8026 Byte)

Sterc.gif (5478 Byte)

[2] Zie ook Babylonische Talmoed, Sjabbat 105b; daar overgeleverd op naam van Rabbi Jochanan ben Noeri;

 

[3] Vgl. Tosefta Sota 5,10.

 

 

 

 

 

 

[4] D.w.z. dat de verleidingskracht van de kwade drijfveer met de dag groeit, wanneer je eenmaal; aan die kracht toegeeft.

 

 

 

 

[6] Zie Misjna Pea 8,9 en vgl. ook Babylonische Talmoed Ketoevot 68a.















Sterc.gif (5478 Byte)

M-As-Nero-b.jpg (35387 Byte)M-DinarTiberius-b.jpg (23016 Byte)

           As met keizer Nero                                      Dinar met keizer Tiberius

Vervolg tekst Avot de-Rabbi Nathan 8a

Het gebeurde dat iemand de woorden van Rabbi Akiva overtrad en het haar van een vrouw op de markt lostrok. Zij kwam (zich beklagen) voor Rabbi Akiva en hij verplichtte de man haar vierhonderd zoez* te betalen. De man spak: 'Rabbi, geef mij tijd!' En hij gaf hem tijd. Toen hij heengegaan was, zei een vriend van de man tot hem: 'Ik zal je een raad geven, zodat je haar nog niet een waarde van een peroeta (cent) behoeft te geven.' Hij antwoordde: 'Geef me die raad.' Hij sprak: 'Neem olie ter waarde van een isar** en breek de kruik voor de poort van de vrouw.' Wat heeft die vrouw toen gedaan? Zij kwam naar buiten uit haar huis en maakte in het openbaar haar haar los, streek (de olie) op (met haar hand) en legde haar hand op haar hoofd. Hij trommelde getuigen tegen haar op, kwam voor Rabbi Akiva en sprak tot hem: 'Aan zo'n verachtelijke vrouw moet ik nu vierhonderd zoez geven?! Omwille van wat olie ter waarde van een isar bekommert zij zich niet om haar zelfrespect maar komt haar huis uit en maakt in het openbaar haar haren los, strijkt (er) met de hand (olie op) en laat die die op haar hoofd rusten!' Rabbi Akiva antwoordde hem: 'Daarmee heb je helemaal niets gezegd. Want iemand die zichzelf verwondt - ook al  is hem dit niet toegestaan - gaat vrijuit; maar anderen die hem een verwonding toebrengen, zijn (wel) schuldig. Zo gaat zij vrijuit die zichzelf verwond heeft, maar jij die haar verwond hebt, ga heen en geef haar 400 zoez.'

Uitleg:
Deze humorvolle vertelling spreekt voor zich. Het onbillijke gedrag waaraan de hoofdpersoon zich schuldig maakt, is daarom zo ernstig omdat hij een loopje neemt met de waardigheid van de vrouw. Het beschaamd maken van een medemens in het openbaar geldt voor de rabbijnen als buitengewoon ernstig. De gevolgen zijn moeilijk te repareren.Verwijzing naar iemands gedrag kan nooit een geldig argument leveren om luchthartig met diens (dier) waardigheid om te gaan. Inbreuk op het bezit en eigendom van de naaste, gaat doorgaans tevens gepaard met inbreuk op waardigheid. Vandaar dat de wet in veel gevallen voorziet in een genoegdoening die naar verhouding zwaar is en de financiële schade overtreft die men een ander door zijn handelwijze strikt genomen berokkend heeft.

 

 

 

 

 

 

 

* 400 zoez (dinar) = 200 sjèkèl en 100 sela); een aanzienlijk bedrag!; een gemiddelde dagloner verdiende ongeveer 1 dinar per dag.

**  Isar - issarius of as: 1/24 deel van een dinar.



   

Boekklkl.gif (8026 Byte)
 

Wie niet waagt, wie niet wint
risicospreiding tijdens het leerproces



Sjioer 27



Boekklkl.gif (8026 Byte)
[2] Vroeg in het najaar, begin oktober.
[3] Wat later in het najaar, eind oktober.
[4] Dat is de regen die laat valt, in de eerste helft van november.

 

 

    Sterc.gif (1440 Byte)

 

 

 

 

* Rabbi Jisma'el, zie sjioer 6, noot 5.

 

 

** Rabbi Me’ir, Tanna’iet (Etètz Jisra’el) uit de tweede eeuw. Gold na de Bar Kochba periode als een van de belangrijke leiders. Als gevolg van die periode stond hij een gematigde houding tegenover de Romeinse bezetter voor. Zijn naam duidt er volgens de traditie op dat hij de ogen van zijn generatie verlichtte. Leerling van Rabbi Akiva en Rabbi Jisjma’el. Hij droeg in belangrijke mate bij aan de totstandkoming van de Misjna.

# Een handschrift leest uitgebreider: 'en wanneer je (alle kennis uit) hem hebt geperst, zeg dan niet etc.'; zie notities bij L. Finkelstein, Mavo le Massechtot etc., p. 118. 

 

 

 

 

 

[6] Sommige versies spreken van drie leraren en laten Rabbi Tarfon onvermeld. Zie ook noot 8 en 9.

[8] 'Deuren' (meervoud) verwijst naar minimaal 2 leraren, 'mijn ingang' verwijst naar 1 leraar, dus tezamen 3 leraren.; of: 'deuren' = 2 leraren, en 'posten' = 2 leraren, dus samen 4 leraren. Zie Jalkoet Sim'oni op Spreuken 8:34, o.a. de uitspraak van Rabbi Joedan.   

[9] Ook in dit geval samen vier leraren. 'Deur van mijn deuren' = 3 leraren. Ingang (pètach) is 1 leraar.

** Rabbi Jehosjoea, zie sjioer 2, noot 3.

Vervolg tekst Avot de-Rabbi Nathan 8a-b

Rabbi Dostai ben Rabbi Jannai* zegt: 'Indien je bent begonnen (een stuk grond) voor te bereiden[1a] [indien je hebt geploegd][1b], en hebt gezaaid tijdens de (periode van) de eerste regen,[2] ga dan en zaai wederom tijdens de tweede (periode van) regen[3]; want mogelijk zal er hagel op de wereld vallen en zullen de eerste zaailingen worden getroffen, maar zullen de laatst gezaaide behouden blijven. "Want je weet niet welk van beide zal slagen, deze of die", of dat beide behouden zullen blijven in jouw hand, "en of beide (zaaiingen) gelijkelijk goed zullen zijn" (vgl. Pred. 11:6). Er is immers gezegd: "Zaai je zaad in de ochtend en laat in de avond je hand niet rusten"(Pred. 11:6). Wanneer je (een stuk grond) hebt voorbereid en gezaaid hebt gedurende (de periode van) de eerste regen en de tweede regen, ga en zaai wederom gedurende de derde regen[4]; want mogelijk komt er een storm over de wereld, en worden de eerste zaailingen weggevaagd terwijl de later gezaaide behouden zullen blijven. "Want je weet niet welk van beide (zaaiingen) zal slagen, deze of die", of dat beide gelijkelijk behouden zullen blijven "en of beide goed zullen zijn" (Pred. 11:6).'

Rabbi Jisma'el*  zegt: 'Wanneer je Tora geleerd hebt in je jeugd(jaren), zeg dan niet: "Ik ga niet Tora studeren op mijn oude dag"; studeer echter (voortdurend) Tora, "want je weet niet welk van beide zal slagen" (Pred. ibid.). Indien je Tora gestudeerd hebt ten tijde van rijkdom, zit dan niet (ijdel) neer ten tijde van armoede.  Indien je Tora gestudeerd hebt ten tijde van overvloed, zit dan niet (ijdel) neer ten tijde van honger. Indien je Tora hebt gestudeerd ten tijde van (economische) winst, zit dan niet (ijdel) neer ten tijde van (economische) tegenslag. Want een enkel woord (van Tora) dat een mens geleerd heeft ten tijde van benauwenis is meer waard dan honderd woorden ten tijde van voorspoed. Er is immers gezegd: "Zaai je zaad in de ochtend en laat in de avond je hand niet rusten" (Pred. 11:6).'

Rabbi Akiva zegt: 'Wanneer je Tora hebt gestudeerd in je jeugd(jaren), leer (dan ook) Tora op je oude dag. Zeg niet: Ik studeer niet Tora op mijn oude dag, "want   je weet niet welk van beide zal slagen", of dat beide in jouw hand behouden zullen blijven, "of dat beide goed zullen zijn" (Pred. ibid.); er is immers gezegd: "Zaai je zaad in de ochtend" (enz.).'

Rabbi Me'ir** zegt: 'Wanneer je geleerd hebt van één Wijze#, zeg dan niet`: Dit is me genoeg. Maar ga naar een andere Wijze, studeer en leer Tora (bij hem). Ga ook niet naar iedereen, maar naar iemand die je meteen al nabij (verwant) is , zoals er gezegd is: "Drink water uit je eigen put en stromend water uit je eigen bron"(Spr. 5:15). Het is de mens een plicht dat hij vier Tora-geleerden dient;[5] zoals Rabbi Eli'ezer, Rabbi Jehosjoea, Rabbi Akiva en Rabbi Tarfon[6]; er is immers gezegd: "Gelukkig is de mens die naar mij[7] luistert, die van dag tot dag de wacht houdt bij mijn deuren (meervoud van dèlèt), wakend bij de posten van mijn ingang (pètach)"(Spr. 8:34).[8] Lees niet "mijn deuren", maar "deur van mijn deuren"[9] Want je weet niet of beide in je hand behouden zullen blijven "of beide gelijkelijk goed zullen zijn", zoals er gezegd is: "Zaai je zaad in de ochtend enz."'[10]

Rabbi Jehosjoea zegt: 'Huw een vrouw in je jonge jaren en huw een vrouw wanneer je oud bent, breng kinderen voort in je jonge jaren en breng kinderen voort wanneer je oud bent. Zeg niet: Ik huw geen vrouw (meer), maar huw (nog) een vrouw en breng zonen en dochters voort, weest vruchtbaar en verwek veel nageslacht in de wereld.[11] Want je weet niet of beide in je hand behouden zullen blijven, "of beide gelijkelijk goed zullen zijn", zoals er gezegd is: "Zaai je zaad in de ochtend enz."'
Hij placht (ook) te zeggen: 'Wanneer je 's morgens# een peroeta hebt gegeven aan een arme en er komt 's avonds# (nog) een andere arme die voor je (deur) staat (om een aalmoes te vragen), geef hem dan; want je weet niet of beide (gaven) uit jouw hand behouden blijven, "of beide gelijkelijk goed zullen zijn", zoals er gezegd is: "Zaai je zaad in de ochtend enz."'


Mploeg.jpg (54827 Byte)

[1a] 'Bakharta' - letterlijk: iets vroeg doen, rijp maken.

[1b] Zo de lezing van editio Wilna (leest: charasjta). Weer andere   lezingen en handschriften geven: bararta - indien je (het veld) hebt gezuiverd (van stenen ontdaan).

Rabbi Dostai ben Rabbi Jannai , Tanna’iet uit tweede helft van de tweede eeuw, Dostai van het Griekse Dositheos (Godsgeschenk) en equivalent van het Hebreeuwse Matanja. Leerling van Rabbi Me'ir, Rabbi José bar Chalaphta en Rabbi El'azar ben Sjamoea.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[5] Letterlijk dienen; het verlenen van persoonlijke diensten in de dagelijkse omgang met de leraar maakt deel uit van het Joodse leerproces.

[7] Dat wil zeggen: naar de wijsheid of de Tora.

[10] Zie ook Babylonische Talmoed Jevamot 62b, waar nagenoeg de zelfde uitspraken genoemd zijn, met kleine verschillen in de weergave van de tradenten.

[11] Peroe oe-revoe - een toespeling op Gen. 1:28: 'Weest vruchtbaar, vermenigvuldigt jullie en vult de aarde.'

#
Ben Avraham, Rabbi Eliahoe ben Avraham van Delyatin ( in Avot de-Rabbi Nathan, ed. Wilna 1933) interpreteert 's morgens en 's avonds als metafoor voor tijden van rijkdom en tijden van armoede.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[13] Zie bijv. R. Gordis, Koheleth - a Study of Ecclesiastes, New York 1951, p. 330.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[14] Volgens Babylonische Talmoed 62b stierven 12.000 van de leerlingen van Akiva in de periode tussen tussen Pesach en Sjavoe'ot aan een bepaalde besmettelijke ziekte. Dit vreselijke gebeuren zou zich voltrokken hebben in de steden Gabbatha en Antipatris). Het legendarische gebeuren zou een straf geweest zijn, omdat de leerlingen onderling elkaar met te weinig respect hadden bejegend!

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitleg:

Risicospreiding
- schoolbeleid
Vaak lijken overleveringen in de midrasj losjes en associatief aaneengeregen, zonder een duidelijk thematische verband. Voor de geoefende beschouwer zijn er dan toch 'onderhuids' thematische verbindingslijnen aanwezig. Om een midrasj goed te verstaan is het vruchtbaar om de verborgen rode draad bloot te leggen en zichtbaar te maken.
Op de bovengenoemde discussie tussen de school van Hillel en de school van Sjammai (over het toelatingsbeleid van Tora-scholen) volgt hier een aantal uitspraken die alle teruggrijpen op het bijbelboek Kohèlèt[12] 11:1-6. Daar geeft de wijsheidsschrijver (volgens de traditie Sjlomo) praktische adviezen op het economische vlak. Hoe kun je het beste winst maken en de risico's daarbij zoveel mogelijk spreiden?
De passage in Kohèlèt begint met een metaforisch geformuleerd advies: 'Werp je brood uit over het water, want na vele dagen zul je het vinden' (Pred. 11:1). Deze raadgeving is doorgaans uitgelegd als oproep tot liefdadigheid. Vrijgevigheid zal zich vroeg of laat in de voorspoed van de gever terugbetalen. Die uitleg sluit echter niet zo goed aan bij de praktische adviezen die in de passage van Kohèlèt volgen. Een aantal moderne commentatoren beschouwt Pred. 11:1 als raadgeving om met verre overzeese landen handel te drijven en schepen naar verre kusten uit te zenden[13] Men loopt zo natuurlijk kans dat er af en toe een scheepje verloren gaat, maar de uiteindelijke winst voor de investering weegt tegen dit risico op. Mits je, zo blijkt uit het vervolg in de passage, niet inzet op één enkel paard of schip, maar je risico's spreidt. Daarom moet een boer ook in verschillende perioden zaaien. Deze gedachte sluit naadloos aan bij de idee van de school van Hillel om heel veel leerlingen toe te laten, opdat dan in ieder geval een substantieel deel daarvan tot rechtvaardige geleerden zal kunnen uitgroeien. Hun rijke bijdrage vergoedt het verlies van die leerlingen van wie achteraf blijkt dat ze toch niet niet uit het goede hout gesneden waren.

Wie niet waagt, zoals de school van Sjammai, zal ook niets winnen. In lijn met deze gedachte raadt Rabbi Akiva aan om als leraar ook in verschillende periode van het leven les te geven, zowel als jongeman alsook als grijsaard. Bij een uitgestrekte levensperiode van lesgeven zal er altijd wel een 'lichting' leerlingen tussen zitten met een rijke opbrengst. Van Rabbi Akiva wordt verteld dat hij wel twaalfduizend leerlingen bezat. Zoveel leerlingen te maken bleek acheraf heel prudent, aangezien ten tijde van epidemieën[14] en de Romeinse vervolgingen vele van Akiba's leerlingen zijn omgekomen. Zij waren als het deel van de zaailingen die verpletterd werden in een hagelstorm zonder dat alle zaaigoed verloren ging.

Met name de andere tekstversie van Avot de-Rabbi Nathan[15] legt een directe verbinding tussen de discussie over het aannemen van leerlingen en een 'slimme bedrijfsvoering':


»'En maakt vele leerlingen.' Bet Sjammai (de school van Sjammai) zegt: 'Men onderwijst slechts aan hen die geschikt zijn, aan kinderen van goede afkomst en aan hun kinds kinderen.'' Bet Hillel zegt: '(Men onderwijst) aan ieder mens.'  Daarover wordt een gelijkenis verteld. Waarmee kan men dit vergelijken? Met een vrouw die een hen op de eieren zet (om ze uit te broeden). Uit vele eieren vindt zij enkele (eieren waaruit een kuiken komt), maar uit weinig (eieren) vindt zij (allicht) geen enkel (ei waaruit een kuiken te voorschijn komt).«


Zoek een leraar die bij jou past
De uitspraak van Rabbi Me'ir maakt duidelijk dat je voor de 'risicospreiding' bij het leerproces niet alleen aan de leerlingen moet denken, maar ook aan leraren. Voor een leerling is het verstandig om de studeren bij verschillende leraren. Daarbij moet een leerling op zoek gaan naar een leermeester die 'karov' (dichtbij, verwant) is. Er zijn wel interpretatoren van de tekst die dit woord letterlijk opvatten. De keuze zou dan moeten vallen op een leraar die bij wijze van spreken om de hoek woont, of min of meer tot de familie behoort. Waarschijnlijker is dat we dit 'karov' figuurlijk moeten verstaan. Een leerling moet op zoek gaan naar een leraar wiens karakter, persoonlijkheid en leermethode bij hem passen. Voor het rabbijnse leerproces is een relatie van wederzijds vertrouwen en wederzijdse sympathie tussen leerling en leraar van doorslaggevend belang. Het gaat bij het Joodse 'lernen' immers niet alleen om de overdracht van naakte feitenkennis maar om het exemplarisch voorleven van een levenshouding, een morele en emotioneel gekleurde levenswijze! 'Voortijdige schoolverlating' door een verstoorde verhoudingen tussen leerling en leermeester kan het leven bepalende en negatieve gevolgen hebben voor de leerling, en daarmee ook voor de gemeenschap waarvan de leerling deel uitmaakt. In die zin bevat ook deze midrasj weer een uitermate actuele en belangrijke les.

Het eminente belang van een goede leraar
Aan de hand van een citaat uit de Misjné Tora van Maimonides wil ik het belang van goede verhoudingen tijdens het leerproces verder illustreren:


Misjné Tora

De Wijzen zeggen: 'Respect voor je leermeester is als het respect voor de hemel.' Daarom zeggen zij (de Wijzen in de Babylonische Talmoed, Sanhedrin 110a): 'Ieder die breekt met zijn leermeester [en naar een andere academie vertrekt] is alsof hij breekt met de Sjechina. Er is immers gezegd: "Deze, Datan en Abiram, afgevaardigden van de gemeenschap, waren het die zich samen met de aanhang van Korach tegen Mosjè en Aharon verzet hebben, toen zij in opstand kwamen tegen de Eeuwige" (Num. 26:9).
En ieder die zijn leermeester verwijten maakt is als iemand die de Sjechina verwijten maakt, er is immers gezegd: "Waar de Israëlieten de Eeuwige verwijten maakten en Hij hun Zijn heiligheid toonde".'[16]

Het grove en onterechte verzet van Datan en Abiram tegen hun leermeesters Mosjè en Aharon werd hen aangerekend als verzet tegen de Eeuwige Zelf.  Het gezag van Mosjè en zijn broeder wilden zij niet erkennen. Aangezien hun gedrag ontwrichtend was voor de gehele gemeenschap, werden zij uit die gemeenschap verwijderd.

Succes, zowel op het materiële vlak als op het geestelijke, is afhankelijk van vertrouwen en een zekere durf. Maar ook van prudentie en het spreiden van risico's. Al met al is ook uit deze passage in de midrasj en uit de wijsheid van het boek Prediker een actueel advies te destilleren.



 

 

 

 

[12] Prediker


















 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[15] Noesach b, in de editie van S. Schechter., p. 14.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[16] Maimonides, Misjné Tora, Hilchot Talmoed Tora 5,1.


©  2012, dr. Marcus van Loopik, Hilversum

Naar vorige pagina (Avot de-Rabbi Nathan p. 7):  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Naar het begin van de cursus (Avot de-Rabbi Nathan p. 1):  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Naar volgende pagina (Avot de-Rabbi Nathan p. 9:)  Basisknopkl.jpg (825 Byte)

Gaarne reacties en feedback: m.loopik50@upcmail.nl  Basisknopkl.jpg (825 Byte)